Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
), de heffingsambtenaar,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €395.000 per 1 januari 2021, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). Hij stelde dat de waarde te hoog was en dat zijn hoorrecht was geschonden doordat hij te laat werd geïnformeerd over stukken ter inzage. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en stelde dat het hoorrecht niet was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht inderdaad was geschonden omdat belanghebbende onvoldoende tijd had om zich voor te bereiden, maar dat dit gebrek niet leidde tot benadeling omdat belanghebbende in beroep zijn grieven volledig heeft kunnen uiten. Daarnaast werd vastgesteld dat de heffingsambtenaar de grondstaffel niet tijdig had verstrekt, wat een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ opleverde, maar dit werd in beroep hersteld.
Inhoudelijk vond de rechtbank dat de gebruikte vergelijkingsmethode en referentiewoningen passend waren en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen in woningtype en kwaliteit. De waardestijging ten opzichte van voorgaande jaren werd geaccepteerd, aangezien de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens procedurele vertraging werd afgewezen omdat de redelijke termijn niet was overschreden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en OZB-aanslag, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.