ECLI:NL:RBZWB:2024:226
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €18.534, verminderd door de inspecteur tot €13.910. De kern van het geschil betreft de waardering van de auto's, met name of een hogere waardevermindering wegens schade moet worden meegenomen en of de door belanghebbende voorgestelde herleidingsmethode toegepast moet worden.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat de door belanghebbende gestelde schade niet meer omvat dan normale gebruiksschade, die niet in mindering kan worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. De herleidingsmethode wordt niet aanvaard, verwijzend naar eerdere jurisprudentie.
Daarnaast is de redelijke termijn overschreden met drie maanden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €500, waarvan €167 voor rekening van de inspecteur en €333 voor de Staat. Tevens worden proceskosten en griffierechten deels toegewezen.
De uitspraak is gedaan door rechter V.A. Burgers en griffier M.A.M. van Meer op 18 januari 2024 en is onherroepelijk na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.