ECLI:NL:RBZWB:2024:2099
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling box 3-heffing over letselschade-uitkering en vergoeding immateriële schade
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018 en 2020, waarbij de letselschade-uitkering werd betrokken in de rendementsgrondslag van box 3. De rechtbank heeft de beroepen op 22 februari 2024 behandeld en beoordeelt of deze uitkering terecht is belast in box 3.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken, waaronder het Kerstarrest en rechtsoverwegingen van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarin is vastgesteld dat letselschade-uitkeringen in vergelijkbare situaties niet worden vrijgesteld van box 3-heffing, behalve in bijzondere gevallen zoals de ramp in Enschede. Het beroep van belanghebbende op ongelijke behandeling en schending van het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.
Daarnaast heeft belanghebbende een vergoeding gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een overschrijding van circa 2 jaar en 10 maanden en kent een immateriële schadevergoeding van €3.000 toe, alsmede vergoeding van griffierecht en reiskosten.
De beroepen worden ongegrond verklaard, de aanslagen blijven in stand, maar de vergoeding wegens termijnoverschrijding wordt toegewezen.
Uitkomst: De aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen blijven ongewijzigd, maar belanghebbende krijgt een vergoeding van € 3.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.