ECLI:NL:RBZWB:2023:8931
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.101 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd, waarbij discussie bestaat over de toepasbaarheid van een herleidingsmethode, de juistheid van de afschrijvingstabel, de vaststelling van de handelsinkoopwaarde en de waardevermindering door schade.
De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat de afschrijvingstabel niet vervuild is, mede omdat belanghebbende dit niet cijfermatig heeft onderbouwd. De inspecteur heeft de handelsinkoopwaarde aannemelijk gemaakt met een taxatierapport gebaseerd op een koerslijst. De door belanghebbende gestelde schade betreft volgens de rechtbank normale gebruiksschade en is onvoldoende onderbouwd.
Belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden. Deze vergoeding wordt verdeeld tussen de inspecteur en de Minister van Justitie en Veiligheid. Tevens worden proceskosten en griffierechten deels aan belanghebbende vergoed.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.