ECLI:NL:RBZWB:2023:7432
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 3.816 en belastingrente van € 25, opgelegd door de inspecteur. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd en of de inspecteur zijn discretionaire bevoegdheid correct heeft uitgeoefend. Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur onvoldoende bewijs had verzameld en dat de schade aan het voertuig niet was meegenomen in de waardebepaling.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. Belanghebbende droeg de bewijslast voor de schade, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een waardevermindering op het moment van aangifte en hertaxatie. De inspecteur heeft gebruikgemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid door het voertuig te laten tonen en het verzoek voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. Het beroep op artikel 110 VWEU Pro faalt omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat er sprake is van ongelijke behandeling.
Verder is de redelijke termijn voor de uitspraak overschreden met drie maanden, waarvoor de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toekent. De Minister van Justitie en Veiligheid wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding, de proceskosten van € 837 en het griffierecht van € 184. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.