Belanghebbende heeft verzoeken ingediend tot teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2008 tot en met 2014, welke door de inspecteur zijn afgewezen. Na afwijzing van bezwaren heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
De rechtbank heeft de verzoeken inhoudelijk beoordeeld aan de hand van het overgangsrecht en het Unierecht. Zij oordeelt dat de inspecteur terecht heeft geweigerd tot teruggaaf over te gaan, mede gelet op arresten van de Hoge Raad die het vrije verkeer van kapitaal niet belemmerd achten door de regeling van afdrachtvermindering voor buitenlandse beleggingsinstellingen.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling, omdat zij geen inzicht heeft gegeven in de samenstelling van het aandeelhoudersbestand en niet heeft voldaan aan de dooruitdelingseis. Ook een beroep op een andere wijze van rechtsherstel faalt. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst vergoeding van rente af. Tevens is het beroep niet-ontvankelijk voor zover namens participanten is opgetreden.