ECLI:NL:RBZWB:2023:2577
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en aanslag OZB woning te [plaats 1]
Belanghebbenden zijn eigenaren van een vrijstaande woning te [plaats 1], waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2019 is vastgesteld op €407.000. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen deze waardevaststelling en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2020, maar het bezwaar is ongegrond verklaard. Vervolgens is beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft beoordeeld of de vastgestelde WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. Belanghebbenden stelden een lagere waarde van €376.000 voor en betwistten de transparantie van het gehanteerde indexeringspercentage. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een deskundigenrapport en een vergelijkingsmatrix met referentiewoningen.
De rechtbank concludeerde dat de gehanteerde indexeringspercentages inzichtelijk en aannemelijk zijn en dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning, waarbij factoren als onderhoud en ligging adequaat zijn meegenomen. De verkoopprijs van de woning rond de jaarwisseling 2020/2021 van €635.000 ondersteunt de vastgestelde waarde.
Daarnaast is een vergoeding voor immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van circa 13 maanden, vastgesteld op €150, waarvan een deel door de heffingsambtenaar en een deel door de Minister van Justitie en Veiligheid wordt betaald. Het beroep is ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag OZB blijven gehandhaafd en proceskosten en griffierechten worden deels vergoed.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de WOZ-waarde en aanslag OZB worden gehandhaafd.