ECLI:NL:RBZWB:2023:1980

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2023
Publicatiedatum
27 maart 2023
Zaaknummer
19/5757
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15, eerste lid, aanhef en letter a WBRV
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende ingrijpende verbouwing voor kwalificatie als in wezen nieuwbouw

In deze bestuursrechtelijke zaak over overdrachtsbelasting heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de kwalificatie van een verbouwing als in wezen nieuwbouw. Na beantwoording van deze vragen door de Hoge Raad, heeft de rechtbank beoordeeld dat de aanpassingen aan het gebouw onvoldoende ingrijpend zijn om te spreken van een nieuw gebouw. De dragende constructie en fundamenten zijn vrijwel ongewijzigd gebleven, en de enige constructieve aanpassingen betroffen het boren van gaten voor leidingen en het aanbrengen van brandvertragende materialen.

De rechtbank volgt het oordeel van de Hoge Raad dat alleen ingrijpende wijzigingen aan de bouwkundige constructie kunnen leiden tot de conclusie van in wezen nieuwbouw. De aanzienlijke wijzigingen aan het gebouw, behoudens de dragende constructie en fundamenten, zijn onvoldoende om dit te rechtvaardigen. Tevens oordeelt de rechtbank dat het Kozuba-arrest van het HvJ EU geen aanleiding geeft om de maatstaf van in wezen nieuwbouw vanuit Unierechtelijk oogpunt te betwijfelen.

Belanghebbende heeft geen nieuwe argumenten aangevoerd die aanleiding geven tot herziening van de eerdere voorlopige beslissingen van de rechtbank. De rechtbank concludeert dat de samenloopvrijstelling alleen geldt bij een nieuw vervaardigd goed en dat een verbouwing die niet als in wezen nieuwbouw kwalificeert, onvoldoende is.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, de voldoening op aangifte blijft gehandhaafd, en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de voldoening op aangifte overdrachtsbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 19/5757
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats] ([plaats]), belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de belastingdienst,de inspecteur.

1.(Verdere) verloop van het geding

1.1.
Voor de aanvang van het procesverloop verwijst de rechtbank naar haar beslissing van 31 januari 2022 (de beslissing van de rechtbank), waarin prejudiciële vragen zijn voorgelegd aan de Hoge Raad. [1]
1.2.
De Hoge Raad heeft de in 1.1 bedoelde prejudiciële vragen beantwoord bij beslissing van 4 november 2022 (de beslissing van de Hoge Raad). [2]
1.3.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 21 november 2022 in de gelegenheid gesteld op de beslissing van de Hoge Raad te reageren. De inspecteur heeft daarop gereageerd bij brief van 14 december 2022. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 16 december 2022.
1.4.
Een nader onderzoek ter zitting is, met instemming van partijen, achterwege gebleven.

2.Feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar de beslissing van de rechtbank.

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1.
In de beslissing van de Hoge Raad is, in r.o. 6.4.1, onder meer geoordeeld:
“Een verbouwing zal niet snel zó ingrijpend zijn dat daardoor in wezen een nieuw gebouw is ontstaan.”
In de beslissing van de Hoge Raad is op de prejudiciële vragen van de rechtbank geantwoord dat:
“Voor de beoordeling of door verbouwingswerkzaamheden aan een gebouw in wezen een nieuw gebouw is ontstaan, moet worden vastgesteld wat er in bouwkundig opzicht met het bestaande gebouw is gebeurd. Alleen wijzigingen in de bouwkundige constructie, daaronder begrepen vervanging (van een deel) van de bestaande bouwkundige constructie, kunnen de conclusie rechtvaardigen dat een verbouwing zo ingrijpend is geweest dat daardoor in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Of zulke wijzigingen zodanig ingrijpend zijn geweest, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.”
3.2.
Vast staat dat niet of nauwelijks aanpassingen hebben plaatsgevonden aan de dragende constructie en fundamenten van het gebouw; de enige constructieve aanpassingen betreffen het boren van gaten in vloeren ten behoeve van de doorvoer van leidingen en het aanbrengen van brandvertragende materialen op de houten vloeren ten behoeve van de brandveiligheid.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in 3.2 bedoelde aanpassingen van de bouwkundige constructie van het gebouw, gezien het in 3.1 weergegeven beoordelingskader, onvoldoende ingrijpend om de conclusie te rechtvaardigen dat in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. De omstandigheid dat het gebouw – behoudens de dragende constructie en fundamenten – aanzienlijk is gewijzigd, is onvoldoende om te spreken van ingrijpende wijzigingen van de bouwkundige constructie.
3.4.
De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in haar nader stuk van 16 december 2022 geen aanleiding om terug te komen op haar voorlopige beslissingen opgenomen in overwegingen 4.18 en 4.25 tot en met 4.27 van de beslissing van de rechtbank. De rechtbank volgt de Hoge Raad in hetgeen hij heeft overwogen in zijn arresten van 4 november 2022 en 11 november 2022 [3] en ziet ook geen aanleiding tot het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Naar het oordeel van de rechtbank kan de samenloopvrijstelling dan ook alleen van toepassing zijn als er sprake is van een nieuw vervaardigd goed. Een niet als “in wezen nieuwbouw” te kwalificeren verbouwing van een gebouw is hiervoor onvoldoende.

4.Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de voldoening op aangifte gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

5.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. V.A. Burgers en mr. S.J. Willems-Ruesink, rechters, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 27 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

3.Hoge Raad 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1609.