ECLI:NL:RBZWB:2022:7545
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlaging WW-uitkering wegens prepensioen uit eerdere dienstbetrekking
Eiser werkte eerst 38 uur per week bij een bedrijf dat in 2004 failliet ging en ontving vanaf december 2020 een ouderdomspensioen uit die dienstbetrekking. Later werkte hij 25 uur per week bij een ander bedrijf, waarvan de arbeidsovereenkomst in maart 2021 werd beëindigd. Eiser vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die het UWV verlaagde met het prepensioenbedrag dat hij ontving uit de eerdere dienstbetrekking.
Eiser stelde dat de uitzondering op de in mindering brengen van pensioen op de WW-uitkering van toepassing was, omdat hij vanwege leeftijd en fysieke gesteldheid minder uren kon werken en het prepensioen diende als compensatie. Hij verwees naar een ministeriële brief en een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
De rechtbank oordeelde dat de uitzondering restrictief moet worden uitgelegd en alleen geldt indien het pensioen voortvloeit uit dezelfde dienstbetrekking als waaruit het recht op WW is ontstaan. Omdat het pensioen van eiser uit een eerdere dienstbetrekking komt en niet samenhangt met het verlies van arbeidsuren uit de dienstbetrekking waaruit de WW-uitkering voortkomt, is de uitzondering niet van toepassing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het besluit van het UWV en wees een terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot verlaging van de WW-uitkering met het prepensioen blijft in stand.