ECLI:NL:RBZWB:2022:7407
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en aanslag rioolheffing woning uit 1977
Belanghebbende, huurder van een hoekwoning uit 1977 met een inhoud van 356 m3 en een perceel van 161 m2, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €181.000 voor 2020, waarop ook de aanslag rioolheffing is gebaseerd. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde na een taxatie met vergelijkingsmethode en referentieobjecten in dezelfde wijk.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De gebruikte referentieobjecten zijn vergelijkbaar en recent verkocht, en verschillen zijn inzichtelijk gemaakt. Belanghebbende kon niet aantonen dat zijn woning een lagere kwaliteit of onderhoudsstaat heeft.
Verder is vastgesteld dat de verhuurder, eigenaar van de woning, geen bezwaar heeft gemaakt en dat belanghebbende procesbelang heeft, ook voor de aanslag rioolheffing. Het verzoek om vooraf inzage in bepaalde taxatiegegevens in bezwaar wordt afgewezen omdat dit niet wettelijk vereist is.
Ten slotte wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat het financieel belang (€4,89) te gering is om spanning of frustratie aan te nemen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag blijven ongewijzigd, en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag rioolheffing wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn afgewezen.