Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake de heffing van overdrachtsbelasting over de verkrijging van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon. De rechtbank beoordeelt of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) van toepassing is.
De feiten betreffen een transactie waarbij belanghebbende aandelen verkrijgt in een vennootschap die kwalificeert als onroerendezaakrechtspersoon. De rechtbank stelt vast dat de vrijstelling niet van toepassing is omdat de verkrijging plaatsvindt tussen rechtspersonen en niet tussen natuurlijke personen, zoals vereist volgens de wettekst en jurisprudentie.
Belanghebbende beroept zich op doorkijkarresten van de Hoge Raad, maar de rechtbank oordeelt dat deze arresten niet van toepassing zijn op rechtspersonen. De kring van subjecten voor de vrijstelling wordt niet ruimer opgevat. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de heffing van overdrachtsbelasting. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de heffing van overdrachtsbelasting.