Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Uitspraak van 13 mei 2022 van de enkelvoudige kamer in het geding tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,
de heffingsambtenaar van de gemeente Belastingsamenwerking West-Brabant,
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep voor zover het ziet op de onroerende zaken [adres] te [plaats] en [adres] te [plaats] niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover het ziet op de onroerende zaken [adres] te [plaats] , de [adres] te [plaats] en [adres] te [plaats] ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 166,65;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 833,35;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 270,50;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 270,50;
- gelast dat de heffingsambtenaar de helft van het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem vergoedt, zijnde € 24,-;
- gelast dat de Staat der Nederlanden de helft van het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem vergoedt, zijnde € 24,-.