ECLI:NL:RBZWB:2022:1843
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde onroerende zaak en vergoeding redelijke termijn overschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak, vastgesteld op €1.192.000 voor het jaar 2020. De heffingsambtenaar onderbouwde deze waarde met een taxatierapport gebaseerd op de huurwaarde-kapitalisatiemethode en referentieobjecten. Belanghebbende stelde een lagere waarde van €728.000 voor en voerde aan dat de coronapandemie een waardevermindering rechtvaardigt.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De gebruikte referentieobjecten waren vergelijkbaar en de gehanteerde kapitalisatiefactor passend, mede gezien de monumentale status van het pand. De coronapandemie kon geen rol spelen bij de waardepeildatum van 1 januari 2019.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure was overschreden. Belanghebbende kreeg daarom een vergoeding van €500 voor immateriële schade toegekend. Ook werd proceskostenvergoeding van €541 en griffierecht van €354 aan belanghebbende toegewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.