Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft over het jaar 2016 per kwartaal aangiften omzetbelasting ingediend en steeds het verschuldigde bedrag voldaan. Op 17 april 2020 diende hij een suppletie in voor teruggaaf van €3.124, gebaseerd op nieuwe jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
De inspecteur wees het verzoek af wegens het overschrijden van de termijn en beriep zich op het Besluit Fiscaal Bestuursrecht dat teruggaaf op grond van nieuwe jurisprudentie uitsluit. De bezwaren tegen deze afwijzing werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij buiten de bezwaartermijn waren ingediend.
Belanghebbende stelde dat de afwijzing van de suppletie bij een voor bezwaar vatbare beschikking had moeten gebeuren, maar de rechtbank verwierp dit. De suppletie wordt juridisch gezien niet als aangifte beschouwd en de afwijzing is terecht als niet-ontvankelijkverklaring behandeld. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring ongegrond en zich onbevoegd voor het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering, omdat dit een niet voor bezwaar en beroep vatbare beslissing betreft. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Beroepen tegen niet-ontvankelijkverklaring ongegrond en rechtbank onbevoegd voor beroep tegen afwijzing ambtshalve vermindering.