Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
3.Beoordeling van het geschil
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2011, 2013 en 2015. De inspecteur wees deze bezwaren af. Belanghebbende stelde dat tijdig beroep was ingesteld, maar de rechtbank stelde vast dat het beroepschrift pas op 20 augustus 2018 bij de inspecteur werd ingediend, na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken.
De rechtbank onderzocht of sprake was van verschoonbare termijnoverschrijding, maar oordeelde dat nalatigheid van de voormalig gemachtigde voor rekening van belanghebbende komt en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.
Voor de aanslagen 2015 was beroep niet ontvankelijk omdat bezwaar niet was gemaakt of het beroep prematuur was ingediend. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de redelijke termijn van 18 maanden niet was overschreden.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het beroepschrift en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.