Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.631 met handhaving van de overige elementen van de aanslag;
- stelt de belastingrente dienovereenkomstig vast;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 52;
- draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 aan hem vergoedt.
2.Gronden
wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd”. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval, en is het gelijk dus aan de inspecteur.
- De AOW-uitkering is per saldo (regel 1 minus regel 2) voor € 5.940 in de heffing betrokken (regel 6).
- Dit bedrag opgeteld bij het ABP-pensioen (regel 8) leidt tot een totaal belastbaar inkomen van € 27.571 (regel 9).
- Bij dit inkomen hoort een tarief van 37% (regel 10).
- Dit tarief wordt vermenigvuldigd met het belastbaar inkomen (regel 11).
- Daarop moet nog een aftrek worden toegepast (regel 12), omdat sprake is van een progressieve tariefstructuur en er nog rekening mee is gehouden dat voor een deel van het inkomen een lager tarief dan 37% geldt.
- Verder is sprake van een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van € 5.890 in verband met het ABP-pensioen (regel 14).
- Per saldo (regel 11 minus regel 12 minus regel 14) resteert dan een belastingbedrag van € 1.617 vóór fiscale aftrekposten.
- Daarop komt in mindering een bedrag van € 299 aan fiscale aftrekposten (regel 19).
- De verschuldigde inkomstenbelasting komt daarmee uit op € 1.317.
De Wet IB 2001 bepaalt in casu dat de vrijstelling van een deel van het belastbaar vermogen niet is gebaseerd op de persoonlijke situatie van de belastingplichtige of op zijn draagkracht, maar enkel op de omvang van zijn vermogen.” [22]
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;