Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Renneberg [3] en
Commissie/Estland. [4]
4.Toepasselijke wetgeving, jurisprudentie en literatuur
Renneberg [7] met betrekking tot een in Nederland werkzame Belg met een eigen woning in België als volgt:
Commissie/Estland [8] ontving een Estlandse die woonachtig was in Finland ongeveer 50% van haar inkomen uit Estland (pensioen) en 50% uit Zweden. In Finland werd het inkomen niet belast. Estland onthield aan belanghebbende een vrijstelling welke zij wel toekende aan inwoners. Na in rechtsoverwegingen 48 tot en met 52 de Schumacker-doctrine herhaald te hebben, overwoog het HvJ als volgt:
Kiebackwoonde belanghebbende gedurende de eerste drie maanden van het belastingjaar in Duitsland. In die periode was belanghebbende werkzaam in Nederland. Na die periode verhuisde belanghebbende naar de Verenigde Staten, waar hij het restant van het jaar werkzaam was. In het arrest [9] heeft het HvJ zich gebogen over de vraag of het inkomenscriterium ten aanzien van de belanghebbende getoetst moest worden over slechts de eerste periode van drie maanden, of over het gehele jaar. Het HvJ heeft overwogen:
5.Beschouwing
Renneberg, [16] de negatieve opbrengst uit de Belgische eigen woning in belanghebbendes Nederlandse belastbare inkomen uit werk en woning in aanmerking moet worden genomen.
Rennebergmoet de negatieve opbrengst uit eigen woning van belanghebbende bij het opleggen van de Nederlandse aanslag in aanmerking worden genomen, indien hij
‘geen inkomsten van betekenis in zijn woonstaat verwerft en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft uit een in de werkstaat uitgeoefende activiteit (…)’. [17] Het HvJ verwijst hierbij naar het arrest
Schumacker, waarin het in nagenoeg dezelfde bewoordingen reeds hetzelfde oordeel gaf. [18]
Kiebackdat de werkstaat de persoonlijke aftrekposten in aanmerking moet nemen indien
‘de betrokkene in een jaar het belangrijkste deel van zijn inkomen en nagenoeg zijn volledige gezinsinkomen heeft verworven in de werkstaat’. [19]
Commissie/Estland [20] noemt het HvJ als criterium dat de belanghebbende geen inkomsten van betekenis verwerft in de woonstaat en het grootste deel van zijn inkomen verdient in de werkstaat. [21] In dat arrest verwijst het HvJ evenals in eerdere arresten naar het arrest
Schumacker. Het criterium uit dat arrest is ook weer opgenomen in het latere arrest
Kieback. Het kan dus niet worden aangenomen dat het HvJ in
Commissie/Estlanddaarvan is teruggekomen. De omstandigheid dat in een ‘Schumacker-situatie’ persoonlijke aftrekposten niet in de woonstaat kunnen worden vergolden, is dus niet op te vatten als een nieuw criterium, maar als een gevolg van die situatie. Ook in het arrest
Rennebergis dat reeds te lezen, wanneer het HvJ in r.o. 61 de aangehaalde zinsnede vervolgt met:
‘…zodat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die ontstaan wanneer met zijn persoonlijke en gezinssituatie rekening wordt gehouden’.
Commissie/Estland [22] , in samenhang beschouwd met
Walentin [23] en
Meindl [24] , mijns inziens twijfel op omtrent de interpretatie van de eerder genoemde jurisprudentie. In
Commissie/Estlandverkreeg belanghebbende 50% van haar inkomen uit Estland en 50% uit Zweden. Toch oordeelde het HvJ dat de bronstaat Estland belanghebbende dezelfde (relevante) tegemoetkomingen moest toekennen die het land toekende aan haar ingezetenen. In
Wallentinverkreeg belanghebbende – naar de aard in Duitsland onbelastbare – inkomsten uit Duitsland ter grootte van DEM 12.000 en inkomsten uit Zweden ter grootte van omgerekend DEM 2000. Het HvJ oordeelde dat Zweden belanghebbende dezelfde (relevante) tegemoetkomingen moest toekennen als het toekende aan ingezetenen. [25] In
Meindltot slot was een situatie aan de orde waarin belanghebbende meer dan 10% van haar inkomen uit haar woonstaat verkreeg. [26] Ook in dit geval oordeelde het HvJ dat de werkstaat belanghebbende tegemoetkomingen moest toekennen die zij toekende aan diens ingezetenen. [27]