Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
Beslissing van 20 december 2018
punt 9wordt gesteld dat het raadkamergeheim door de officier van justitie is geschonden door informatie uit een besloten raadkamerzitting (te weten de raadkamerzitting van 9 juli 2014) door te sturen aan curatoren.
punt 10wordt de officier van justitie verweten dat zij een doorzoeking in de woningen van de verdachte heeft doen plaatsvinden, terwijl zij wist dat de advocaten van de verdachten op dat moment in verband met een rogatoire commissie afwezig waren.
de punten 5 en 7– overweegt de rechtbank het volgende.
de punten 1, 3, 8 en 11–overweegt de rechtbank allereerst in het algemeen dat een verwijt zoals onder b. genoemd mogelijk tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou kunnen leiden, echter pas wanneer sprake is van een situatie waarin een dusdanige (ernstige) inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
punten 48 en 54 uit pleitnota) en met betrekking tot de selectie aan de hand van zoektermen (
punt 80 van de pleitnota) geldt dat een dergelijk verzoek reeds door de verdediging is gedaan bij de rechter-commissaris. Tegen de afwijzing van dit verzoek heeft de verdediging bewaar gemaakt. Bij beslissing op 12 februari 2018 is dit bezwaar door de raadkamer van deze rechtbank afgewezen omdat onvoldoende was onderbouwd welk belang (in de zin dat het zou kunnen bijdragen aan enige in deze zaak te nemen beslissing) de verdediging had bij het verzochte. Ook het huidige verzoek ontbeert een dergelijke onderbouwing. De rechtbank wijst het verzoek af en verwijst naar wat hierover is overwogen in de beslissing van 12 februari 2018.
de punten 105, 114 en 164 van de pleitnota), overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover aan de verzoeken de stelling ten grondslag ligt dat door de officier van justitie voor de verdediging relevante stukken niet aan het dossier zijn toegevoegd, passeert de rechtbank dit betoog op grond van hetgeen hiervoor reeds is overwogen. Voor afschriften uit de administratie in Nederland heeft de verdediging zich tot de curator kunnen wenden.
zal de verdediging (….) slechts de eerder reeds ingediende onderzoekswensen, voorzover deze zijn afgewezen, handhaven, waaronder de verzoeken omtrent ter beschikking stellen van de volledige administratie aan cliënten voor diens verdediging.” en
indien u(de rechtbank begrijpt: officier van justitie)
aan voorgaande instemt(de rechtbank begrijpt: met het niet dagvaarden voor feit 3)
kunt u de verdediging houden aan diens toezegging tot handhaving van slechts de eerder reeds ingediende onderzoekswensen, voorzover deze zijn afgewezen, waaronder de verzoeken omtrent ter beschikking stellen van de volledige administratie aan cliënten. Van nieuwe aanvullende getuigenverzoeken zal geen sprake zijn.”
Inzake de onderzoekswensen kan ik aangeven dat er meerdere raadkamerzittingen hebben plaatsgevonden (tweetal) betreffende afwijzing onderzoekswensen. Voorzover in die procedures getuigen en onderzoekswensen zijn afgewezen, zullen die ter (regie) zitting worden herhaald / uitdrukkelijk gehandhaafd.”
Wel zal (uitdrukkelijk) subsidiair tevens worden verzocht de reeds gehoorde getuigen opnieuw te doen horen aan de hand van te laat ontvangen (administratie) stukken en nog te ontvangen stukken”.
Aanvullende verweren 18 november 2019
4.De beoordeling van het bewijs
- de Tranche-12 Obligatielening (maart 2008);
- de Tranche-14 Obligatielening (juni 2008);
- de Offering Memorandum (op 15-8-2008).
De prospectussen behorende bij de obligatieleningen
Feit 1
Tranche-12 Obligatievan [naam BV] . [5]
Tranche-14 Obligatievan [naam BV] . [8]
Feit 2
Offering Memorandumvan [naam BV] . [10]
De beleggers
Feit 1
“ [naam BV] investeert met de aan haar ter beschikking gestelde inleggelden door deelnemers in Tranche-12 in (werk) kapitaal van ondernemingen en in investeringsprojecten, waaruit een boven gemiddeld rendement te verwachten is binnen de vooraf afgesproken deelnameperiode.”was voor [belegger 2] één van de redenen om te veronderstellen dat [naam BV] een solide onderneming was, wat bevorderend werkte bij zijn beslissing om deel te nemen in deze obligatie. Hij vond dat het resultaat op de balans 2006 er gigantisch positief uitzag. Hij vertrouwde de gegevens in de prospectus. De hoofreden om deel te nemen was de zinsnede “
staat garant voor de door haar uitgegeven obligaties”.Toen hij begon deel te nemen verkeerde hij in de veronderstelling dat alles door [naam BV] keurig zou worden terugbetaald. Tot juli 2008 heeft hij de rentebetalingen ontvangen. Daarna heeft hij niets meer ontvangen.
“ [naam BV] staat garant voor de door haar uitgegeven obligaties.”maakte zij op dat zij haar geld terugkreeg en dat zij wat dat betreft geen risico liep. Zij heeft in juli of augustus 2008 over één maand rente ontvangen van [naam BV] . Daarna stopten de rentebetalingen. Toen haar door de verbalisant werd voorgehouden dat in de periode van 22 februari 2008 tot en met 1 april 2009 29 % van de totale inleg kon worden gebruikt voor investeringsdoeleinden, verklaarde [belegger 3] dat er dan sprake is van een soort van piramidefonds en dat zij, wanneer zij dat geweten had, tot een andere beslissing ten aanzien van haar inleg was gekomen.
Feit 2
Juridisch kader
Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen (te weten: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels) hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
“
Zo gaat het bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Een voorbeeld daarvan was aan de orde in het arrest waarin de verdachte investeerders in strijd met de waarheid voorhield dat de geïnvesteerde bedragen zouden worden terugbetaald met een jaarlijkse rente van 18%, terwijl hij noch de intentie had noch in staat was om de afspraken na te komen en hij door hem ondertekende "promissory notes" afgaf teneinde te doen voorkomen dat de door hem gemaakte afspraken waren gegarandeerd. Uit dit voorbeeld blijkt dat van 'meer dan een enkele leugenachtige mededeling' niet slechts sprake kan zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.”(overweging 2.3.2)
en verder:
De tenlastelegging
Feit 1, 1e en 2e gedachtestreepje
Feit 1, 3e gedachtestreepje
dat de B.V. garant staat voor de door haar uitgegeven obligaties en/of dat altijd 110% van de inleg retour wordt ontvangen.
“dat altijd 110 % van de inleg retour wordt ontvangen”) verwijst de rechtbank naar haar overwegingen met betrekking tot het 1e en 2e gedachtestreepje. De aldaar getrokken conclusie dat [naam BV] op het moment dat ingeschreven werd voor de Tranche-12 en Tranche-14 obligaties, te weten in de periode 9 april 2008 tot en met 29 juli 2008, wist dat er op korte termijn onvoldoende geld vrij zou komen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen, leidt tevens tot de conclusie dat [naam BV] afstevende op een faillissement en derhalve niet waar kon maken dat de beleggers hun inleg terug zouden krijgen, laat staan 110 % van hun inleg. Immers elk jaar moesten er ingelegde gelden die waren vrijgevallen, worden terugbetaald. Gelet op het tekort aan middelen zou dat niet kunnen. Betaling van de bonus van 10% was dan al helemaal een illusie.
[naam BV]verplicht is garant te staan op grond van regelgeving van de Wet op het financieel toezicht en dat de mededeling in de prospectus dat de B.V. garant staat, geen garantie betekent dat de inleg niet verloren kon gaan. Vervolgens maakt de verdediging het volgende verwijt:
“Het is werkelijk te vreemd voor woorden, dat het Openbaar Ministerie nota bene een wettelijke verplichting (het garant staan door de groepsmaatschappij; namelijkde Holding) op de dagvaarding zet als oplichtingsmiddel.”
Feit 1, 4e gedachtestreepje
Feit 1, 5e gedachtestreepje
dat de groep waartoe de B.V. behoort sterk groeit en verantwoordelijk is voor ruim 150.000.000 euro aan beheerd en belegd vermogen wereldwijd.
Feit 1, 6e gedachtestreepje
Feit 2, 1e en 2e gedachtestreepje
dat de B.V. de ter beschikking gestelde inleggelden voornamelijk investeert in een helicopterbedrijf in Costa Rica, genaamd [helicopterbedrijf].
Feit 2, 3e gedachtestreepje
Zijn de beleggers “bewogen”?
mededoor de onjuiste, misleidende en/of bedrieglijke inhoud van de prospectussen zoals opgenomen in de tenlastelegging, zijn bewogen tot deelname aan de aangeboden obligatie.
Is er sprake van wederrechtelijke bevoordeling?
Tussenconclusie
Is [naam BV] “pleger” en is er sprake van “feitelijk leidinggeven”?
Juridisch kader
In feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijk leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.
Feitelijke beoordeling
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging en de maatregel
7.De benadeelde partij
de rechtbank begrijpt dat hier artikel 51c 3e lid wordt bedoeld) van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) nodig heeft.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
een gevangenisstraf van 10 maanden;