Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de inhouding van loonheffing over de maanden januari tot en met maart 2017 vanwege het bijtellingspercentage van 25% dat werd toegepast op een auto met een datum eerste toelating (DET) vóór 2017. Hij stelde dat het lagere bijtellingspercentage van 22% dat geldt voor auto's met een DET in 2017 ook op hem van toepassing zou moeten zijn. De inspecteur handhaafde het hogere percentage op grond van artikel 36c van de Wet LB 1964.
De rechtbank oordeelde dat het onderscheid in bijtellingspercentages niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro, noch met het eigendomsrecht uit artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De rechtbank stelde vast dat de verlaging van het algemene bijtellingspercentage van 25% naar 22% per 2017 niet primair milieudoelstellingen dient, maar een benadering is van het voordeel van privégebruik, mede ingegeven door dalend brandstofverbruik en beperkingen op privégebruik.
De overgangsregeling die het hogere percentage voor oudere auto's handhaaft, is volgens de rechtbank binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever en niet evident onredelijk. Het beroep op een individuele en buitensporige last faalde omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat hij zwaarder wordt getroffen dan anderen. De rechtbank zag geen reden om prejudiciële vragen te stellen en wees het beroep af.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 januari 2018, waarbij ook de proceskosten niet werden toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het bijtellingspercentage van 25%.