Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, enig aandeelhouder van [A BV], stelde zich borg voor een geldlening van € 8.000.000 aan [I BV] en haar dochtermaatschappijen. De borgstelling bedroeg € 600.000 zonder vergoeding. Na faillissement van [I BV] en haar dochters vorderde de bank betaling van dit bedrag van belanghebbende.
Belanghebbende bracht het bedrag van € 600.000 als voorziening in zijn aangifte inkomstenbelasting 2011 ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur weigerde deze aftrek, stellende dat de borgstelling in hoedanigheid van aandeelhouder was aangegaan.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat geen vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde eenzelfde borgstelling onder dezelfde voorwaarden zou aanvaarden. Dit betekent dat het verlies niet aftrekbaar is als resultaat uit overige werkzaamheden. De liquiditeitsproblemen, het negatieve bedrijfsresultaat en het ontbreken van reële zekerheden maakten de borgstelling onacceptabel voor derden.
De rechtbank verwierp het verweer van belanghebbende dat de borgstelling niet als aandeelhoudershandeling moest worden aangemerkt. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd omdat de borgstelling als aandeelhoudershandeling is aangemerkt.