Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de door haar betaalde crisisheffing (pseudo-eindheffing hoge lonen) over het tijdvak maart 2013, ter hoogte van € 75.617. De inspecteur wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende een fiscale eenheid vormt en tien werknemers had met een loon boven € 150.000 in 2012. De crisisheffing is gebaseerd op artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964. De Hoge Raad heeft in januari 2016 geoordeeld dat deze heffing een wettelijke grondslag heeft en niet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Belanghebbende voerde aan dat de crisisheffing een buitensporige en excessieve last voor haar vormt, maar heeft dit niet onderbouwd. De rechtbank concludeerde dat uit de financiële gegevens niet blijkt dat de heffing buitensporig is. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank legde geen proceskostenveroordeling op. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de crisisheffing wordt ongegrond verklaard.