Belanghebbende diende bezwaar in tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) over 1997, maar dit bezwaar werd door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard omdat het ruim na de wettelijke termijn werd ingediend. De inspecteur maakte aannemelijk dat het aanslagbiljet tijdig en naar het juiste adres in Polen was verzonden, ondanks dat het onbestelbaar retour kwam. Belanghebbende voerde aan dat hij pas in december 2001 op de hoogte was van de aanslag en dat de inspecteur onzorgvuldig was door de gemachtigde niet te informeren.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur voldoende bewijs had geleverd dat de aanslag op de juiste wijze bekend was gemaakt, waardoor de bezwaartermijn was gestart en belanghebbendes bezwaar te laat was. De omstandigheid dat de aanslag niet aan de gemachtigde werd gestuurd, maakte dit niet anders. Belanghebbendes verzoek om verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding werd afgewezen omdat het op de belastingplichtige rust om post op het opgegeven adres te ontvangen en de Poolse postdienst had geprobeerd te bezorgen.
Hoewel het beroep ongegrond werd verklaard, kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens de lange duur van de bezwaar- en beroepsprocedure, die ruim 13 jaar duurde. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 24 augustus 2015.