ECLI:NL:RBSGR:2008:BH5447
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ongewenstverklaring jongvolwassene met jeugdige delicten en sterke binding met Nederland
Eiser verblijft sinds 1998 in Nederland en is nooit in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Hij werd wegens twee geweldsdelicten als minderjarige veroordeeld tot jeugddetentie, waarvan een groot deel voorwaardelijk. Op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 is eiser ongewenst verklaard. De rechtbank toetst de ongewenstverklaring aan het arrest Maslov van het EHRM, dat stelt dat bij minderjarige plegers alleen zeer ernstige delicten een ongewenstverklaring rechtvaardigen.
De rechtbank constateert dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke toedracht van de delicten, de voorwaardelijke aard van de straffen, de langdurige verblijfshistorie van eiser in Nederland en zijn sterke sociale en culturele banden met Nederland. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van de staat zwaarder zou wegen dan het privé- en gezinsleven van eiser, zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit tot ongewenstverklaring en beveelt een nieuw besluit met inachtneming van deze uitspraak. De strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring worden opgeschort tot vier weken na beslissing op bezwaar. De beroepen tegen weigering van verblijfsvergunning en EG-verblijfsdocument worden niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeken om voorlopige voorzieningen worden afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.