ECLI:NL:RBSGR:2005:AS7584
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onverbindendverklaring legesverhogingen vreemdelingen bij verblijfsvergunningen voor Turkse onderdanen
Eiseressen vorderden de onverbindendverklaring van twee regelingen die legesheffingen voor verblijfsvergunningen verhoogden, stellende dat deze in strijd zijn met diverse nationale en internationale rechtsnormen.
De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van de vorderingen en stelde vast dat slechts enkele organisaties ontvankelijk waren omdat zij boven-individuele belangen behartigen. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de leges niet als belastingen in de zin van artikel 104 van Pro de Grondwet kunnen worden aangemerkt, omdat zij gebaseerd zijn op kostenberekeningen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en niet in strijd zijn met de delegatiebepalingen.
De rechtbank verwierp ook de stellingen dat de leges in strijd zijn met het recht op respect voor het privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) en discriminatieverboden (artikel 14 EVRM Pro). Wel oordeelde zij dat de legesverhogingen jegens Turkse onderdanen die rechten ontlenen aan de Associatieovereenkomst EEG/Turkije onverbindend zijn, omdat deze een nieuwe beperking vormen op het recht op vestiging, dienstverrichting en arbeidsmarktparticipatie.
De rechtbank wees de vorderingen van de meeste eiseressen af, verklaarde de regelingen onverbindend voor de genoemde Turkse onderdanen en compenseerde de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de legesverhogingen onverbindend voor Turkse onderdanen met rechten uit de Associatieovereenkomst EEG/Turkije en wijst de overige vorderingen af.