ECLI:NL:RBROT:2026:9027

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
ROT 24/9
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:72 AwbArt. 2.79 APV Molenlanden 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht en toekenning schadevergoeding bij afwijzing handhavingsverzoek

Eiser verzocht op 9 juli 2023 de burgemeester van Molenlanden handhavend op te treden tegen overlast door knalvuurwerk op het erf van een derde-partij. De burgemeester wees dit verzoek op 15 augustus 2023 af, omdat geen overtreding was geconstateerd en de vermeende overlast niet ernstig of herhaaldelijk was. Eiser maakte bezwaar, dat op 7 december 2023 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft omdat hij nog steeds overlast ervaart en herhaling vreest. De rechtbank stelt vast dat eiser niet persoonlijk is gehoord in bezwaar, wat in strijd is met artikel 7:2 Awb Pro. Dit leidt tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand omdat eiser zich in beroep voldoende heeft kunnen uitlaten en het handhavingsverzoek terecht is afgewezen.

Verder constateert de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 11 maanden, waarvoor eiser een schadevergoeding van € 1.000,- toekomt. De vergoeding wordt ten laste van de Staat gebracht. Daarnaast moet de burgemeester het griffierecht en reiskosten van eiser vergoeden. De rechtbank wijst het beroep toe, vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen ongewijzigd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, het besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand, en eiser krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats 2] , eiser

en

de burgemeester van de gemeente Molenlanden

(gemachtigde: mr. F.G. Akkaya-Yilmaz),
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , uit [woonplaats 2]

(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester het handhavings-verzoek in redelijkheid heeft kunnen afwijzen
.Het beroep is echter gegrond, omdat de burgemeester eiser ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar. Verder is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Op 9 juli 2023 heeft eiser de burgemeester verzocht om handhavend op te treden.
Bij besluit van 15 augustus 2023 (hierna: het primaire besluit) heeft de burgemeester het handhavingsverzoek afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 december 2023 heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
[derde-partij] heeft schriftelijk op het beroepschrift gereageerd.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
De rechtbank heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van [derde-partij] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Eiser heeft in zijn verzoek om handhaving via de e-mail van 9 juli 2023 om 00:09 uur gesteld dat in de nacht van 8 juli 2023 op 9 juli 2023 gedurende langere tijd knalvuurwerk werd afgestoken op het erf van de [derde-partij] , waardoor hij woonoverlast heeft ervaren. Hij verzoekt daarom om handhavend op te treden en bij voorkeur een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid van artikel 2.79 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Molenlanden 2019 (hierna: de APV) op te leggen. De burgemeester heeft dit verzoek met het primaire besluit afgewezen, omdat deze overlast niet is geconstateerd door een toezichthouder en het achteraf ook niet meer mogelijk is om vast te stellen of er een overtreding heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat een eventuele overtreding, indien deze wel was geconstateerd, geen ernstige en herhaaldelijke hinder zou opleveren zoals bedoeld in artikel 2.79 van de APV. Het is hierdoor onmogelijk handhavend op te treden. De burgemeester heeft deze afwijzing met het bestreden besluit gehandhaafd.
Procesbelang
2. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep dient zij eerst na te gaan of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
2.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is procesbelang het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat deze persoon voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem of haar van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft iemand die opkomt tegen een besluit procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
2.2.
Eiser heeft tijdens de zitting zijn verzoek om schadevergoeding ingetrokken. Hij heeft verder toegelicht dat hij nog altijd overlast ervaart van de [derde-partij] , zodat dus een reëel risico op herhaling bestaat. Eiser probeert onder meer met deze procedure te bewerkstelligen dat de burgemeester tegen de herhaalde overlast zal optreden. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
Inhoudelijke beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het handhavingsverzoek. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser heeft tijdens de zitting zijn beroepsgronden ten aanzien van wie als derde belanghebbende zou moeten worden aangemerkt en de rechtsmiddelenclausule ingetrokken. Zoals hiervoor al is aangegeven, heeft eiser ook zijn verzoek om vergoeding van de schade die hij als gevolg van het bestreden besluit zou hebben geleden, ingetrokken.
Horen in bezwaar
4. Eiser voert nog wel aan dat hij niet is gehoord in bezwaar en dat dit in strijd is met artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft in zijn bezwaarschrift uitdrukkelijk aangegeven dat hij gehoord wenst te worden. De werkwijze van de burgemeester, waarbij eiser ‘schriftelijk gehoord’ kon worden, is geen horen als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb.
4.1.
De Afdeling heeft eerder overwogen dat de bewoordingen van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet toelaten dat een bestuursorgaan de belanghebbende de gelegenheid onthoudt om in persoon te worden gehoord. [1]
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit niet in de gelegenheid is gesteld om fysiek te worden gehoord, terwijl zich niet een situatie voordeed waarin van het horen kon worden afgezien op grond van artikel 7:3 van Pro de Awb. De hoorplicht is daarom geschonden. Deze beroepsgrond slaagt.
Het handhavingsverzoek
5. Volgens eiser heeft de burgemeester het handhavingsverzoek ten onrechte uitsluitend beoordeeld aan de hand van artikel 2.79 van de APV. De burgemeester had ook moeten bezien of er een andere wettelijke grondslag was voor handhaving. Verder had de burgemeester het handhavingsverzoek moeten bezien in het licht van eisers eerdere handhavingsverzoeken wegens ervaren overlast. Bovendien heeft de burgemeester ten onrechte nagelaten om onderzoek in te stellen naar de overtreding. Het bestreden besluit is daardoor onzorgvuldig tot stand gekomen.
5.1.
Het is vaste jurisprudentie dat een handhavingsverzoek voldoende concreet moet zijn. [2] Dat betekent dat het aan eiser is om zijn verzoek tot handhaving van wettelijke voorschriften voldoende te bepalen. Eiser klaagt in zijn handhavingsverzoek van 9 juli 2023 over ‘woonoverlast’ door knalvuurwerk, verzoekt tot het opleggen van een last onder bestuursdwang en noemt daarbij artikel 2.79 van de APV (welk artikel gaat over woonoverlast). De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de burgemeester had moeten bezien of er een andere wettelijke grondslag was voor handhaving dan het genoemde artikel van de APV. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester bij de beoordeling van het verzoek de omstandigheid heeft mogen meenemen dat de vermeende overtreding, indien deze zou zijn geconstateerd door een toezichthouder, op zichzelf geen ernstige en herhaaldelijke hinder zou opleveren zoals bedoeld in artikel 2.79 van de APV. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat de burgemeester het handhavingsverzoek van 9 juli 2023 had moeten bezien in het licht van eisers eerdere handhavingsverzoeken wegens ervaren overlast. Het is immers vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de inhoud van een handhavingsverzoek bepalend is voor de omvang van het geding. [3] Vast staat dat eiser de ernstige en herhaaldelijke hinder die hij van [derde-partij] dan wel de [derde-partij] stelt te ervaren en waarover hij eerder handhavings-verzoeken heeft ingediend, niet heeft genoemd in zijn verzoek om handhaving van 9 juli 2023. Gelet op deze omstandigheden was de burgemeester in dit specifieke geval dan ook niet gehouden om onderzoek in te stellen naar de vermeende overtreding. De burgemeester heeft het handhavingsverzoek dan ook kunnen afwijzen.
Verzoek tot schadevergoeding
6. Eiser verzoekt nog om een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van deze procedure.
6.1.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor een procedure als deze in beginsel een redelijke termijn geldt van twee jaar. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar en anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep. [4] Bijzondere omstandigheden kunnen een kortere of langere behandelingsduur rechtvaardigen. Daarbij kan worden gedacht aan de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene. [5]
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van omstandigheden die een langere behandelingsduur dan het uitgangspunt rechtvaardigen. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is gestart op 24 augustus 2023, omdat op die dag het bezwaarschrift is ontvangen. Deze uitspraak volgt dus na meer dan 34 maanden, zodat de procedure in totaal meer dan twee jaar heeft geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn – naar boven afgerond – met 11 maanden is overschreden. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 1.000,-.
6.3.
De burgemeester heeft na ruim 3 maanden op het bezwaar van eiser beslist. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur aan de zijde van de burgemeester, die zes maanden bedraagt, niet is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is dus geheel aan de rechtbank toe te rekenen. De vergoeding van de schade zal daarom worden uitgesproken ten laste van de Staat.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond omdat de hoorplicht van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is geschonden. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Eiser heeft zich in beroep immers alsnog in voldoende mate kunnen uitlaten over het bestreden besluit en de burgemeester heeft naar het oordeel van de rechtbank het handhavingsverzoek kunnen afwijzen.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht en de reiskosten van eiser van € 21,28 (76 kilometer maal € 0,28) conform het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoeden. Eiser heeft geen andere proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
7.3.
Eisers verzoek tot schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiser.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat de burgemeester de reiskosten van eiser van € 21,28 moet vergoeden; en
- veroordeelt de Staat tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van G.L. Bolkestein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijv. de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2416, meer specifiek r.o. 6.1.
2.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:187.
3.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5759, onder 8.2.
4.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:758, onder 3.
5.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5367, onder 2.