ECLI:NL:RBROT:2026:9013

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/6523
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:17 AwbArt. 6:22 AwbArt. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van woningsluiting voor drie maanden wegens drugsverkoop in Rotterdam

De burgemeester van Rotterdam sloot de woning van eiser voor drie maanden vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid soft- en harddrugs, wat een gevaar voor de openbare orde opleverde. Eiser voerde beroep aan tegen deze sluiting en stelde onder meer dat de drugs uitsluitend voor eigen gebruik waren en dat het besluit onzorgvuldig was bekendgemaakt.

De rechtbank oordeelde dat eiser procesbelang had en dat het primaire besluit niet tijdig aan zijn gemachtigde was bekendgemaakt, maar dat dit gebrek niet tot nadeel van eiser had geleid. De burgemeester was bevoegd tot sluiting op grond van de Opiumwet, omdat de aangetroffen hoeveelheden drugs de grens van gebruikershoeveelheden ruim overschreden en er aanwijzingen waren voor drugshandel vanuit de woning.

De rechtbank vond de sluiting noodzakelijk en evenwichtig, mede gelet op het belang van het tegengaan van drugscriminaliteit en het voorkomen van overlast in een kwetsbaar veiligheidsrisicogebied. De medische omstandigheden van eiser en zijn persoonlijke situatie wogen niet zwaarder dan het belang van de openbare orde. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de drie maanden durende woningsluiting wegens drugshandel en verklaart het beroep van eiser ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6523

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. E.B. Jobse),
en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam

(gemachtigde: mr. A. Wintjes).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het sluiten van eisers woning voor de duur van drie maanden. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit in stand kan blijven. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester eisers woning heeft mogen sluiten voor de duur van drie maanden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Op 11 februari 2025 heeft de burgemeester eiser en Stichting Hef Wonen (hierna: de verhuurder) laten weten dat zij voornemens was om de woning aan de [adres] (hierna: de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden vanwege een overtreding van de Opiumwet. Eiser en de verhuurder zijn daarbij in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen voor 26 februari 2025.
De verhuurder en eiser hebben op respectievelijk 24 en 25 februari 2025 een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 18 maart 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft de burgemeester de woning gesloten voor de duur van drie maanden. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Op 7 april 2025 heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst totdat wordt beslist op het bezwaar.
Bij uitspraak van 9 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek van eiser afgewezen. [1]
Bij besluit van 17 juli 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de burgemeester en [naam], juridisch adviseur bij de gemeente Rotterdam.

Totstandkoming van het bestreden besluit

1. De burgemeester heeft aan het primaire besluit het volgende ten grondslag gelegd. Uit de bestuurlijke rapportage van 27 januari 2025 met het bijbehorende proces-verbaal van bevindingen blijkt dat een politieambtenaar heeft waargenomen dat de woning op 19 december 2024 kortstondig werd bezocht door een junkachtig type. Hieruit ontstond het vermoeden dat er vanuit de woning drugs werden verkocht. Vervolgens heeft de politie op 16 januari 2025 bij de woning aangebeld en deze met toestemming doorzocht. Daarbij werden de volgende goederen aangetroffen: 60 voorgedraaide joints, een blokje hasj van 22,1 gram (netto), 121 gevulde gripzakjes met daarin totaal 13,2 gram cocaïne (netto), duizenden lege nieuwe gripzakjes en € 750,- aan briefgeld in verschillende coupures. Het is daarom aannemelijk dat er vanuit de woning drugs werden verkocht. Dit levert een gevaar op voor de openbare orde. Het sluiten van de woning is noodzakelijk om verdere aantasting van het woon- en leefklimaat en herhaling te voorkomen, de openbare orde te herstellen en de bekendheid van de woning in het criminele circuit te doorbreken. Daarnaast wordt met het sluiten van de woning het signaal afgegeven dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. Deze doelen kunnen met een kortere sluitingsduur niet worden bereikt. Tot slot is het sluiten van de woning ook niet onevenredig. De burgemeester heeft het primaire besluit met het bestreden besluit gehandhaafd, conform het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie van 1 juli 2025.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij doet dat aan de hand van eisers beroepsgronden.
Procesbelang
3.1.
Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep dient zij eerst na te gaan of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
3.2.
Eiser voert aan dat hij procesbelang heeft. Hij heeft allereerst een principieel belang bij een beoordeling of de woning destijds onrechtmatig is gesloten. Bovendien heeft hij materiële en immateriële schade geleden door het besluit. Hij heeft kosten gemaakt doordat hij tijdelijk elders heeft moeten verblijven en wenst de burgemeester aansprakelijk te stellen voor deze schade.
3.3.
De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft. Eiser heeft zijn stelling dat hij schade heeft geleden namelijk niet aannemelijk gemaakt, omdat hij deze stelling niet heeft geconcretiseerd of onderbouwd met stukken.
3.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is procesbelang het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat deze persoon voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem of haar van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft iemand die opkomt tegen een besluit procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Als een rechtzoekende stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit. [2]
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat het gestelde principiële belang onvoldoende is om procesbelang op te leveren. Het is immers staande jurisprudentie dat van de rechter geen uitspraak kan worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. Het is echter een feit dat eiser als gevolg van de sluiting niet in zijn woning heeft kunnen verblijven, terwijl het op voorhand tot op zekere hoogte aannemelijk is dat eiser als gevolg hiervan kosten zal hebben gemaakt voor zijn verblijf ergens anders en een rechterlijk oordeel dat de sluiting onrechtmatig was kan dan de grondslag vormen voor een aanspraak op schadevergoeding. De rechtbank ziet in deze omstandigheden aanleiding om eiser het voordeel van de twijfel te geven en procesbelang aan te nemen. Het beroep is dus ontvankelijk.
Bekendmaking primair besluit
4.1.
Eiser voert aan dat het primaire besluit niet op de juiste wijze aan hem bekend is gemaakt, dat het besluit daardoor pas na de feitelijke sluiting van de woning op 25 maart 2025 in werking is getreden en dat de burgemeester zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser door de onjuiste bekendmaking geen nadeel heeft ondervonden. Het primaire besluit is niet aan eiser betekend, terwijl de burgemeester ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit besluit (tijdig) in de brievenbus van eiser is gedaan. Bovendien was het bij de burgemeester bekend dat eiser bijgestaan werd door de gemachtigde. Desondanks heeft de gemachtigde van eiser dit besluit pas op 28 maart 2025 per e-mail ontvangen, terwijl de woning al op 25 maart 2025 is gesloten. Eiser heeft door de onjuiste bekendmaking van het besluit nadeel ondervonden. Dat nadeel bestaat eruit dat de woning feitelijk is gesloten zonder dat hij zich daartegen kon verweren. Eiser kon immers pas een verzoek om een voorlopige voorziening indienen op het moment dat de woning feitelijk al gesloten was en daardoor stond hij in die procedure ten onrechte op een achterstand.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat op het briefhoofd van het primaire besluit staat dat dit besluit per e-mail aan de pandeigenaar is verzonden. Niet gesteld of gebleken is dat deze toezending aan de eigenaar niet heeft plaatsgevonden. Daarom houdt de rechtbank het ervoor dat dit besluit overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op of omstreeks 18 maart 2025 bekend is gemaakt aan de pandeigenaar. De bekendmaking aan de pandeigenaar heeft gelet op het bepaalde in artikel 3:40 van Pro de Awb tot gevolg dat het primaire besluit wel degelijk al in werking was getreden voordat de woning op 25 maart 2025 feitelijk werd gesloten.
4.3.
In het dossier bevindt zich een ondertekend uitreikingsformulier. Daaruit blijkt dat het primaire besluit op 18 maart 2025 is achtergelaten in de brievenbus van de woning, omdat niemand aanwezig was. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De deponering van het besluit in de brievenbus is echter op zichzelf niet voldoende voor de conclusie dat het besluit op de voorgeschreven wijze aan eiser bekend is gemaakt. Het is immers vaste jurisprudentie van de Afdeling dat uit artikel 2:1 van Pro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:17 van Pro die wet, volgt dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat bekendmaking op de voorgeschreven wijze geschiedt door toezending van een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde. [3] Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het nemen van het primaire besluit al werd bijgestaan door de gemachtigde en dat het optreden van de gemachtigde ook bij de burgemeester bekend was. Dat betekent dat de burgemeester het primaire besluit aan de gemachtigde van eiser diende te sturen en dat de burgemeester, door dit pas op 28 maart 2025 te doen, het besluit eerst op die datum op de voorgeschreven wijze aan eiser bekend heeft gemaakt. De burgemeester had de woning echter voor die datum al gesloten, op 25 maart 2025, en daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in de bestuurlijke fase onzorgvuldig gehandeld.
4.4.
Het is de vraag waar deze conclusie in deze beroepsprocedure toe moet leiden. De burgemeester heeft tijdens de zitting van de Algemene bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie) van 1 juli 2025 al erkend dat zij het primaire besluit te laat aan de gemachtigde van eiser heeft toegezonden. Daarbij heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een gebrek in de besluitvorming dat met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb kan worden gepasseerd, omdat niet valt in te zien hoe eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. De rechtbank kan dit standpunt, net als de voorzieningenrechter en de commissie, volgen. [4] Eiser heeft in bezwaar, en overigens ook in beroep, namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij door het gebrek concreet nadeel heeft ondervonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bevoegdheid tot woningsluiting
5.1.
Eiser voert aan dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten. De aangetroffen drugs waren niet bestemd voor drugshandel, maar voor eigen gebruik. Eiser is in een tijdsbestek van vijf jaar één van zijn zoons, zijn schoonzus, zwager en vader verloren. Eiser lijdt hierdoor aan een Posttraumatische Stressstoornis (hierna: PTSS) en zodoende zocht hij af en toe zijn toevlucht in het gebruik van cocaïne. Hiermee is hij sinds het sluiten van de woning gestopt. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft eiser ook vervolgd voor het aanwezig hebben van drugs en niet voor het handelen in drugs. De aangetroffen gripzakjes gebruikte eiser zelf om cocaïne mee te nemen. Het aangetroffen geld was spaargeld van de vriendin van eiser. Dit geld is door de politie in beslag genomen, maar later weer teruggegeven. Ter onderbouwing van het voorgaande heeft eiser aktes van overlijden van een aantal van de genoemde dierbaren overgelegd, een verslag van een OM-hoorzitting en bankafschriften waaruit blijkt dat het in beslag genomen geld inmiddels is teruggegeven.
5.2.
Op grond van artikel 13b, eerste lid onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen soft- of harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Als er meer dan 0,5 gram harddrugs of meer dan 5,0 gram softdrugs wordt aangetroffen is het in beginsel aannemelijk dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid drugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. [5]
5.3.
De rechtbank overweegt dat er in de woning aanzienlijk meer dan 0,5 gram harddrugs en aanzienlijk meer dan 5 gram softdrugs is aangetroffen. Daarmee is sprake van een handelshoeveelheid soft- en harddrugs, zodat de burgemeester ervan uit mocht gaan dat de drugs geheel of deels bestemd waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetroffen drugs (uitsluitend) voor eigen gebruik waren. De rechtbank betrekt hierbij de grote hoeveelheid aangetroffen drugs, de grote hoeveelheid gevulde en niet gevulde gripzakjes, alsmede het briefgeld dat naast een deel van de drugs is aangetroffen. Hierbij is ook relevant dat een politieambtenaar heeft waargenomen dat de woning op 19 december 2024 kortstondig werd bezocht door een junkachtig type. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiser bijzonder ingrijpend moet zijn geweest om in een relatief korte periode meerdere dierbaren te verliezen, onder wie een zoon, maakt dit niet aannemelijk dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik waren. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat het OM het in beslag genomen geld heeft teruggegeven aan eiser en hem enkel heeft vervolgd voor het aanwezig hebben van drugs en niet (ook) voor het handelen in drugs. In het strafrecht geldt namelijk een andere bewijsmaatstaf dan in het bestuursrecht. Het is tot slot niet aannemelijk gemaakt dat het aangetroffen geld spaargeld was van de vriendin van eiser. Dit is immers niet onderbouwd.
5.4.
De burgemeester was naar het oordeel van de rechtbank dan ook bevoegd om de woning te sluiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheid
6. Als een burgemeester bevoegd is om (spoedeisende) bestuursdwang toe te passen, toetst de bestuursrechter – als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven – de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Als het besluit gebaseerd is op beleid dat op zichzelf rechtmatig is, wordt getoetst of de gevolgen wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. [6] Bij de beoordeling worden alle feiten en omstandigheden betrokken. [7] Geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid spelen bij de beoordeling een rol, maar de toetsing daaraan zal niet altijd op dezelfde wijze plaatsvinden. [8] Het is aan de bestuursrechter om aan de hand van de beroepsgronden te bepalen of, en zo ja op welke wijze, deze onderdelen worden betrokken. [9]
Noodzaak
6.1.
Eiser voert aan dat het sluiten van de woning niet noodzakelijk was. Er was geen sprake van een ernstig geval als bedoeld in de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022 (hierna: ernstig geval). De burgemeester had daarom moeten volstaan met een waarschuwing. De drugs waren uitsluitend bestemd voor eigen gebruik, zodat de woning geen rol heeft vervuld binnen de keten van drugshandel en niet bekend was in het criminele circuit, zoals de burgemeester stelt. Eiser woont al sinds 8 mei 2019 in de woning zonder overlast te veroorzaken. Eiser wijst in dit verband op een viertal verklaringen van buren waarin zij aangeven dat zij nooit overlast van eiser hebben ervaren. Er zijn bovendien geen politieregistraties bekend en ook bij de verhuurder zijn er geen meldingen of signalen binnengekomen die duiden op drugsgerelateerde activiteiten. Verder heeft eiser geen relevante antecedenten.
6.2.
Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook had moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing. [10]
6.3.
De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat de aanwezigheid van (enkel) een handelshoeveelheid harddrugs in een woning als een ernstig geval kan worden aangemerkt. [11] Zoals de rechtbank onder 5.3 heeft vastgesteld, is in de woning een handelshoeveelheid soft- en harddrugs aangetroffen. Daar komt bij dat eiser, zoals hiervoor al is geoordeeld, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de drugs voor eigen gebruik waren. De grens van een gebruikershoeveelheid voor zowel soft- als harddrugs is ook ruim overschreden. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ernstig geval.
6.4.
Uitgangspunt is verder dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. [12] Daarom kan in het midden blijven of de omstandigheid dat de woning op 19 december 2024 kortstondig werd bezocht door een junkachtig type daadwerkelijk betrekking had op drugshandel. De omstandigheid dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel levert op zichzelf ook al een belang bij sluiting op. [13] Bovendien heeft de burgemeester er in het bestreden besluit terecht op gewezen dat met de sluiting van de woning een signaal wordt afgegeven aan de buurt dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in woningen. Hierdoor wordt het risico op drugsgerelateerde criminaliteit in de omgeving van de woning teruggedrongen. Dit is des te meer van belang, omdat de woning is gelegen in een kwetsbaar gebied dat tevens is aangewezen als veiligheidsrisicogebied.
6.5.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting van de woning aanwezig heeft mogen achten en niet gehouden was om met een minder ingrijpend middel te volstaan. De rechtbank constateert dat de in de bestuurlijke rapportage genoemde omstandigheid dat bij eiser tijdens een verkeerscontrole op 10 januari 2021 negen gripzakjes met cocaïne zijn aangetroffen niet ten grondslag is gelegd aan het besluit. Het ontbreken van relevante antecedenten bij eiser, waar de burgemeester dus vanuit lijkt te gaan, leidt, bezien in het licht van het voorgaande, echter niet tot een andere conclusie. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenwichtigheid
7.1.
Eiser voert aan dat de sluiting van de woning niet evenwichtig was. Eiser wist niet dat meer dan 0,5 gram harddrugs en meer dan 5 gram softdrugs een handelshoeveelheid oplevert. De hasj behoorde bovendien niet toe aan eiser maar aan zijn zoon. Verder is eiser om medische redenen afhankelijk van de woning. Naast PTSS heeft hij last van een darmverzakking en chronische pijn aan zijn botten. In dit verband is door eiser een rapport van Indigo met een psychische diagnose overgelegd en een afsprakenplan van de gemeente Rotterdam waaruit blijkt dat hij tijdelijk is ontheven van de arbeidsverplichting. Tot slot merkt eiser op dat de verhuurder naar aanleiding van de woningsluiting een ontbindingsprocedure is gestart. Eiser en de verhuurder zijn daarbij op 21 juli 2025 overeengekomen dat eiser de woning met ingang van 1 maart 2026 moest verlaten. Eiser denkt dat hij op de zwarte lijst terecht is gekomen.
7.2.
Dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en een sluiting noodzakelijk mocht achten, betekent nog niet dat de burgemeester tot het sluiten van de woning mocht overgaan. De burgemeester moet zich er namelijk van vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Daarbij kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, waaronder de mate van verwijtbaarheid van diegenen die door de sluiting worden getroffen en in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico hebben genomen op de ingrijpende gevolgen van hun handelen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. [14]
7.3.
De rechtbank overweegt allereerst dat eiser wist dat de aangetroffen drugs zich in de woning bevonden. Hiervan kan eiser dus een verwijt worden gemaakt. Dit geldt ook als de hasj van zijn zoon zou zijn, welke stelling overigens geenszins is onderbouwd. Tijdens de doorzoeking van de woning heeft eiser bovendien tegen de politie gezegd “Ik ben bang voor mijn woning man, maar ik heb wel wat jonko’s liggen”. De rechtbank is van oordeel dat deze opmerking bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan dat eiser zich ervan bewust was dat er een zodanige hoeveelheid drugs in zijn woning lag dat dit gevolgen kon hebben voor het behoud van zijn woning. Verder ziet de rechtbank niet in waarom eiser, ondanks zijn medische problematiek, niet in een andere woning zou kunnen verblijven. Ten aanzien van de afspraken die eiser met de verhuurder heeft gemaakt in het kader van de ontbindingsprocedure overweegt de rechtbank dat deze afspraken pas na het bestreden besluit zijn gemaakt. De burgemeester kon met die specifieke omstandigheid dus geen rekening houden bij het nemen van het bestreden besluit. In het bestreden besluit heeft de burgemeester over de woonsituatie van eiser terecht opgemerkt dat hij niet acuut dakloos is geworden, omdat hij ten tijde van de sluiting in het buitenland verbleef en het aannemelijk is dat hij na terugkomst naar Nederland tijdelijk heeft kunnen verblijven bij zijn familie en vrienden. Tot slot heeft eiser zijn vermoeden dat hij op de zwarte lijst terecht is gekomen niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft deze stelling immers niet onderbouwd.
7.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester de doelen die zij met de sluiting wilde bereiken zwaarder mocht laten wegen dan de belangen van eiser bij het openhouden van de woning. Het sluiten van de woning was dan ook niet onevenwichtig. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, voorzitter, en mr. C.E. Bos en mr. M. Zoethout, leden, in aanwezigheid van A.S. Ay, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5662.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2589, onder 4.1.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3131, onder 5.2.
4.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5662, onder 10.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1139, onder 4.
6.Dit volgt uit artikel 4:84 van Pro de Awb.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, onder 4.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1741, onder 6.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, onder 7.8.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, onder 10.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, onder 4.1.1.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, onder 9.2.
13.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1139, onder 5.3.
14.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, onder 11, 11.1 en 11.2.