Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2589

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
202401907/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen verplaatsing smalspoor en draaiplateau

Het college van burgemeester en wethouders van Westerveld verleende in 2017 een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een smalspoor nabij de woning van appellant. Na verplaatsingen van het eindpunt en draaiplateau in 2019 en begin 2022, verzocht appellant het college handhavend op te treden tegen de aanleg zonder vergunning. Het college weigerde dit, omdat er concreet zicht op legalisering bestond, en verklaarde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel degelijk procesbelang had vanwege schade aan de zandweg en kosten door een civiele procedure. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het smalspoor en draaiplateau ten tijde van het bezwaar al waren verwijderd, waardoor handhaving niet meer kon worden bereikt. Ook was geen direct verband aangetoond tussen de schade aan de weg en de graafwerkzaamheden.

Verder werd geoordeeld dat de civiele procedure het gevolg was van gedragingen van appellant zelf en niet van het besluit van het college. Daarom ontbrak procesbelang en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

202401907/1/R3.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Uffelte, gemeente Westerveld
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 20 februari 2024 in zaak nr. 23/347 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Westerveld.
Procesverloop
Bij besluit van 20 april 2022 heeft het college geweigerd handhavend op te treden.
Bij besluit van 24 januari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 20 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door [persoon], via een telefoonverbinding, en het college, vertegenwoordigd door M. Groen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 8 januari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Bij besluit van 30 mei 2017 heeft het college aan [vergunningshouder] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo verleend voor het aanleggen van een smalspoor van de Toegangspoort Holtingerveld naar Manege Holtinge te Havelte. Dit smalspoor kon door bezoekers van het Holtingerveld gebruikt worden om te railfietsen. Aan het einde van het spoor bevond zich een draaipunt waar de railfietsen werden omgedraaid zodat de gebruikers terug konden fietsen. Het smalspoor lag vlakbij de woning van [appellant]. Na een eerdere verplaatsing van het eindpunt van het tracé, en daarmee het draaiplateau, in 2019 is begin 2022 het eindpunt van het tracé, en ook het draaiplateau, opnieuw verplaatst.
[appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het aanleggen van het eindpunt van het tracé zonder, dan wel in afwijking van de verleende omgevingsvergunning.
3.       Dat verzoek heeft het college afgewezen, omdat volgens hem concreet zicht op legalisering bestaat. Het college heeft het bezwaar van [appellant] daartegen vervolgens niet-ontvankelijk verklaard omdat het proces-belang was komen te ontvallen. Het college heeft er daarbij op gewezen dat het smalspoor inmiddels is verwijderd.
De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
Beoordeling van het hoger beroep
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn bezwaar terecht wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat hij schade heeft geleden en hij daarom nog wel belang heeft. Hij wijst erop dat de graafwerkzaamheden voor het plaatsen van het draaiplateau schade hebben veroorzaakt aan de zandweg wat gevolgen heeft voor de bereikbaarheid van zijn woning. Hij voert ook aan dat hij in verband met een civiele procedure hoge kosten heeft gemaakt en nog steeds maakt. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat deze schade het gevolg is van de besluitvorming van het college.
4.1.    Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
4.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Hiervoor is het volgende van belang.
4.3.    Tussen partijen is niet in geschil dat het smalspoor inclusief het draaipunt al ten tijde van het besluit op bezwaar was verwijderd. De activiteiten waarvoor [appellant] bij het college om handhaving heeft verzocht waren dus toen al definitief beëindigd, wat het college in het besluit op bezwaar ook heeft vastgesteld. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat wat [appellant] met zijn bezwaar tegen het besluit van 20 april 2022 beoogde, namelijk handhavend optreden van het college tegen deze activiteiten, in zoverre niet meer kon worden bereikt.
4.4.    Voor zover [appellant] betoogt dat hij schade heeft geleden omdat het college niet (tijdig) heeft voldaan aan zijn verzoek om te handhaven, heeft de rechtbank ook daarin terecht geen procesbelang gezien. De rechtbank heeft hierover namelijk terecht geoordeeld dat uit de door [appellant] overgelegde stukken niet blijkt dat er een direct verband bestaat tussen de gestelde slechte staat van de (zand)weg en de graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van het smalspoor en het draaiplateau. Dat op de zitting bij de Afdeling is gebleken dat de exacte ligging van het draaiplateau verderop aan de Studentenkampweg was gelegen, maakt dit oordeel niet anders.
4.5.    De Afdeling overweegt verder dat de door [appellant] genoemde kosten die zijn gemaakt in verband met een civiele procedure het gevolg zijn van zijn gedragingen. Het moge zo zijn dat het college, zoals [appellant] aanvoert, duidelijker had kunnen zijn over de vergunningplicht en eerder had kunnen beslissen op zijn handhavingsverzoek. Maar de omstandigheid dat [appellant] zelf naar [vergunningshouder] is toegegaan, wat heeft geleid tot een civiele procedure, is niet het gevolg van het besluit van 20 april 2022. Ook hier wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven.
Het betoog slaagt niet. Nu procesbelang ontbreekt, komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van wat [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, bijvoorbeeld over de omgevingsvergunningplicht en het ontbreken van een advies van de commissie van advies voor bezwaarschriften.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pieters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
473