ECLI:NL:RBROT:2026:7738

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/5794 en ROT 25/9561
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 6:20 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Ziektewetuitkering en terugvordering voorschot wegens geschiktheid eigen werk

Eiseres meldde zich ziek uit de Werkloosheidswet en ontving een voorschot op een Ziektewetuitkering. Het UWV besloot dat zij geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat zij geschikt is voor haar eigen arbeid, gebaseerd op een eerdere eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) en medische rapporten van verzekeringsartsen. Eiseres maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat haar fysieke en psychische klachten waren toegenomen, maar kon dit niet met objectieve medische gegevens onderbouwen.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiseres geschikt is voor de in de EZWb geselecteerde functies en dat er geen medische toename van beperkingen is vastgesteld. De medische rapporten voldeden aan de vereiste zorgvuldigheid en begrijpelijkheid. De rechtbank wijst erop dat subjectieve klachten onvoldoende zijn zonder objectieve medische onderbouwing.

Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het UWV alsnog een besluit heeft genomen. De beroepen tegen de afwijzing van de ZW-uitkering en de terugvordering van het voorschot worden ongegrond verklaard. Eiseres moet het voorschot van € 2.183,01 netto terugbetalen. De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres voor het terecht instellen van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de afwijzing van de Ziektewetuitkering en de terugvordering ongegrond en veroordeelt eiseres tot terugbetaling van het voorschot.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/5794 en ROT 25/9561

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van het UWV dat geen recht bestaat op een Ziektewetuitkering (ZW-uitkering) en de terugvordering van een uitbetaald voorschot op de ZW-uitkering. Eiseres krijgt geen ZW-uitkering omdat het UWV eiseres geschikt acht voor haar eigen arbeid. Daarom moet eiseres het voorschot terugbetalen. Eiseres is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de ZW-uitkering en de daarmee samenhangende terugvordering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiseres geschikt is voor het eigen werk en daarom geen recht heeft op een ZW-uitkering en het voorschot moet terugbetalen
.Eiseres krijgt geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 3 april 2025 heeft het UWV bepaald dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat eiseres geschikt is voor haar eigen arbeid. Met het besluit van 14 april 2025 is aan eiseres meegedeeld dat zij ten onrechte een (voorschot op een)
ZW-uitkering heeft ontvangen. Met het besluit van 15 april 2025 heeft het UWV de ten onrechte ontvangen ZW-uitkering teruggevorderd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten.
2.1.
Omdat een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 3 april 2025 uitbleef, heeft eiseres op 28 juli 2025 een beroep niet-tijdig ingesteld. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 heeft het UWV alsnog een beslissing op bezwaar genomen en is bij het eerdere besluit over de ZW-uitkering gebleven. Eiseres heeft de rechtbank laten weten het beroep te handhaven. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ROT 25/5794.
2.2.
Met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 is het UWV ook bij de terugvordering van de onterechte uitbetaalde ZW-uitkering gebleven. Het beroep tegen dit besluit is geregistreerd onder zaaknummer ROT 25/9561.
2.3.
Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Eiseres heeft zich op 13 februari 2025 uit de Werkloosheidswet ziek gemeld. Op 5 maart 2025 is eiseres geïnformeerd dat er nog geen besluit is genomen over de uitkering maar dat zij vanaf 24 februari 2025 een voorschot ontvangt op de ZW-uitkering.
3.1.
Met het besluit van 3 april 2025 is geoordeeld dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering. Eiseres heeft eerder een ZW-uitkering gehad (tussen 1 april 2022 en 23 april 2023). Deze ZW-uitkering is beëindigd omdat in het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) is geoordeeld dat eiseres meer dan 65% kon verdienen van het laatste loon dat zij ontving voordat zij zich ziek meldde. Tegen deze beslissing is eiseres niet opgekomen. In het kader van de EZWb is een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld en een arbeidsdeskundige beoordeling gemaakt. Omdat eiseres na de beëindiging van de ZW-uitkering geen werkgever meer heeft gehad, heeft het UWV in het kader van een consult ‘plausibiliteit’ beoordeeld of de gezondheidssituatie van eiseres ten opzichte van de EZWb uit 2023 is verslechterd. De primaire arts stelt zich in het medisch rapport van 2 april 2025 op het standpunt dat de klachten die eiseres ervaarde in 2023 en zijn opgenomen in de FML van 20 februari 2023, op 13 februari 2025 (datum in geding) onverminderd aanwezig zijn. In de tussenliggende periode zijn er geen nieuwe behandelingen gestart of nieuwe objectiveerbare medische feiten bijgekomen. Bij het lichamelijk onderzoek is geen toename van afwijkingen gezien ten opzichte van het eerder lichamelijk onderzoek. Ook voor de gestelde mentale klachten hebben behandelingen in de curatieve sector plaatsgevonden en zijn er geen (nieuwe) diagnoses gesteld. De primaire arts concludeert om die redenen dat eiseres (nog steeds) geschikt is voor ten minste drie in het kader van de EZWb geselecteerde functies.
3.2.
Met het besluit van 14 april 2025 heeft het UWV laten weten dat ten onrechte (een voorschot op) een ZW-uitkering is uitbetaald omdat geen recht bestaat op die uitkering. Met het besluit van 15 april 2025 heeft het UWV laten weten dat eiseres om die reden € 2.183,01 (netto) moet terugbetalen aan het UWV.
3.3.
In het kader van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw onderzoek gedaan en beoordeeld of de beperkingen en mogelijkheden van eiseres juist zijn vastgesteld. De verzekeringsarts concludeert dat dit het geval is. Het UWV is met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 bij het standpunt gebleven dat eiseres geschikt is voor het eigen werk en daarom geen recht heeft op een ZW-uitkering. Om die reden is met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 ook vastgehouden aan de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde ZW-uitkering.
Beroep niet-tijdig beslissen
4. Aangezien het UWV alsnog een besluit heeft genomen op het bezwaar van eiseres en daarbij ook de volledige dwangsom heeft toegekend, heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar. Eiseres zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat beroep. Er bestaat wél aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Hier zal de rechtbank later in de uitspraak op terugkomen.
4.1.
Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het alsnog genomen bestreden besluit van 17 oktober 2025.
Toetsingskader
5. Een verzekerde heeft op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW recht op een ZW-uitkering als hij of zij ongeschikt is tot het verrichten van zijn of haar arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. Ziekengeld kan worden geweigerd als eerder een EZWb heeft plaatsgevonden en de betrokkene na beëindiging van de ZW-uitkering niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt en betrokkene dan nog steeds geschikt is voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Daarbij geldt dat als de verzekeringsarts naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen van een betrokkene sinds de eerdere EZWb niet zijn toegenomen, dat daarmee dan gegeven is dat de bij de EZWb geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook op de datum in geding voor betrokkene geschikt zijn. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van ziekengeld op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen. [1] Als een ZW-uitkering onverschuldigd is betaald, vordert het UWV de onterecht uitbetaalde ZW-uitkering terug. [2]
ROT 25/5794
Is eiseres meer beperkt dan is aangenomen?
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij meer beperkt is dan de primaire arts en de verzekeringsarts in bezwaar en beroep hebben vastgesteld. Haar fysieke en psychische klachten zijn ten opzichte van de EZWB uit 2023 toegenomen en hadden moeten leiden tot de conclusie dat eiseres niet (meer) geschikt is voor haar eigen arbeid. Eiseres geeft in dat verband aan dat zij langdurige en complexe lichamelijke klachten heeft aan haar hand/duim, nek en rug. Verder heeft zij last van stress, somberheid en slaapproblemen. Eiseres stelt dat ten onrechte geen actuele (medische) gegevens zijn opgevraagd bij de behandelend sector.
6.1.
De rechtbank overweegt dat het UWV het besluit dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering heeft gebaseerd op rapporten van (verzekerings)artsen, die zich daarbij hebben gebaseerd op eerdere bevindingen van (verzekerings)artsen en een arbeidsdeskundige in het kader van een EZWb. Het UWV mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op die rapporten als die rapporten:
  • op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
  • geen tegenstrijdigheden bevatten; en
  • voldoende begrijpelijk zijn.
Als iemand vindt dat de besluiten van het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid niet juist zijn, moet hij of zij aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eiseres bekend is met verschillende nek- en rugklachten, artrose in de duimgewrichten (links en rechts) en een langzaam werkende schildklier (hypothyreoïdie). Daarvoor zijn in de FML van 20 februari 2023 diverse beperkingen opgenomen. De primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben in onderhavige procedure aangegeven dat ondanks de gestelde toename van klachten, er geen medische redenen zijn om meer fysieke en psychische beperkingen aan te nemen (zie voor de onderbouwing onder 3.1). De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoen aan de onder overweging 6.1 genoemde voorwaarden. De primaire arts heeft eiseres op 2 april 2025 gezien en haar lichamelijk en psychisch onderzocht. Er heeft er een gesprek over de gezondheid en het functioneren van eiseres plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, was aanwezig bij de hoorzitting en heeft eiseres na afloop van de hoorzitting op 6 oktober 2025 onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geoordeeld dat de primaire arts tot de juiste conclusie is gekomen.
6.3.
De rechtbank begrijpt dat eiseres meer beperkingen ervaart, maar uit vaste rechtspraak volgt dat het bij de beoordeling gaat om de beperkingen die objectief medisch kunnen worden onderbouwd. [3] De klachten die iemand ervaart of een gestelde diagnose is niet beslissend bij de beoordeling. Anders dan eiseres stelt, volgt uit vaste rechtspraak dat een verzekeringsarts in beginsel mag uitgaan van zijn eigen medisch oordeel en niet verplicht is om zelf gegevens op te vragen van de behandelend sector. [4] Omdat eiseres zelf niet met medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op datum in geding een onjuist beeld had van haar gezondheidstoestand op de datum in geding, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts. De enkele stelling van eiseres dat er meer fysieke en psychische klachten aanwezig zijn, is daarvoor onvoldoende. Ook de verder niet onderbouwde stelling ter zitting dat eiseres geen medische informatie heeft kunnen krijgen over haar gezondheidssituatie leidt niet tot een andere conclusie. Daarbij is namens eiseres ter zitting aangegeven dat zij op de datum in geding alleen bij de pijnpoli is geweest. Het UWV heeft in dat verband terecht gewezen op het feit dat de behandeling bij de pijnpoli door de verzekeringsarts is meegenomen. Namens eiseres is ter zitting ook bevestigd dat er geen psychische diagnoses beschikbaar zijn. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de beperkingen van eiseres correct zijn vastgesteld en ten opzichte van de EZWb niet zijn toegenomen. Deze conclusies zijn voldoende zorgvuldig en gemotiveerd tot stand gekomen en toegespitst op de persoonlijke situatie van eiseres. Nu geen toename van de beperkingen is vastgesteld is de FML van 20 februari 2023 leidend en was er geen aanleiding om in het kader van deze procedure een nieuwe FML op te stellen. Voor het door eiseres ter zitting gevraagde, maar verder niet onderbouwde maatwerk ten aanzien van de gevolgen van de uitkomst van die persoonlijke beoordeling, bestaat in het voornoemd beoordelingskader geen ruimte.
6.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiseres de geselecteerde functies uitoefenen?
7. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het UWV onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de geselecteerde functies die haar arbeid vormen, passend zijn met betrekking tot de fysieke beperkingen aan haar hand/arm, nek en rug die wel zijn onderkend en zijn opgenomen in de FML van 20 februari 2023.
7.1.
Wat hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van het UWV dat de beperkingen van appellante niet zijn toegenomen ten opzichte van de EZWb. Daarmee is gegeven dat de in het kader van de EZWb geselecteerde functies ook op de datum in geding voor eiseres geschikt zijn. Deze vaststelling is voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen. Dat eiseres inmiddels wel een ZW-uitkering ontvangt, leidt niet tot een ander oordeel, omdat voor de beoordeling de datum in geding bepalend is en niet de periode erna.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
ROT 25/9561
8. Eiseres heeft tegen de terugvordering geen andere beroepsgronden aangevoerd dan dat de terugvordering onterecht is omdat recht op een ZW-uitkering bestaat. Dit is ter zitting desgevraagd bevestigd. Omdat de rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft geconcludeerd dat eiseres op 13 februari 2025 geen recht had op een ZW-uitkering, heeft het UWV het voorschot op de ZW-uitkering terecht teruggevorderd.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering en eiseres de ten onrechte ontvangen ZW-uitkering moet terugbetalen.
9.1.
Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten voor het (terecht) instellen van het beroep tegen het uitblijven van deze beslissing. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding voor het instellen van het beroep ‘niet tijdig’ is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ‘niet tijdig’ ingediend. Omdat een beroep niet-tijdig een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.
9.2.
Het griffierecht dat eiseres heeft betaald voor het beroep tegen het niet-tijdig beslissen wordt geacht mede te zijn voldaan voor het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2025. [5] Omdat de rechtbank dat beroep ongegrond verklaart, bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van G.L. Bolkestein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658, onder 4.12.1 – 4.12.3.
2.Dit volgt uit artikel 33, eerste lid, van de Ziektewet.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 24 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1654), onder 4.4.
4.Zie de uitspraak van de Raad van 19 januari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:246).
5.Zie de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1775.