ECLI:NL:CRVB:2020:246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldig medisch oordeel verzekeringsarts bij Ziektewetuitkering
Appellante, die sinds april 2010 arbeidsongeschikt was, verrichtte sinds 2015 werkzaamheden als begeleidster naschoolse opvang. Na ziekmelding in maart 2016 wegens klachten na een spierruptuur, beëindigde het UWV het recht op ziekengeld per januari 2017 op grond van een medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante geschikt was voor haar werk. In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening hield met diagnoses als hernia, fibromyalgie en radiculopathie, en dat een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) had moeten worden opgesteld.
De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts in beginsel op zijn eigen oordeel mag varen en dat geen reden bestond om aanvullende informatie op te vragen. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel en wees de stellingen over onvoldoende motivering en het ontbreken van een FML af.
Ook het beroep op een Amber-beoordeling bij ziekmelding werd verworpen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.