Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6915

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/2606
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:10a AwbArt. 7:4 AwbArt. 17 Verordening 142/2011Bijlage VIII, Hoofdstuk I, Afdeling 1, punt 1 Verordening 142/2011Art. 6.2 Wet dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor vervoerder van mest wegens niet afgedekte en lekkende container

De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiseres tegen een boete van €2.500,- opgelegd door de minister van Landbouw voor het niet afdekken en het lekken van vaste rundveemest tijdens vervoer. De overtreding werd vastgesteld op basis van een rapport van toezichthouders van de NVWA, die constateerden dat mest in niet afgedekte en lekkende containerbakken werd vervoerd.

Eiseres betwistte de overtreding, met name het bestaan van een lekkage, en voerde aan dat de chauffeur niet was gewezen op het recht op rechtsbijstand. De rechtbank oordeelde dat de toezichtrapporten betrouwbaar zijn en dat de overtreding terecht is vastgesteld. Hoewel de chauffeur niet expliciet op het recht op rechtsbijstand werd gewezen, werden zijn verklaringen niet als bewijs gebruikt, zodat geen schending van de hoorplicht is vastgesteld.

Verder stelde eiseres dat zij de eerdere waarschuwing niet had ontvangen, maar de rechtbank vond dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarschuwing correct was verzonden. De opgelegde boete werd passend en proportioneel bevonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de boete van €2.500,- wegens het niet afdekken en lekken van mest tijdens vervoer.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2606

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. A.M.H. van der Wal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 2.500,- die verweerder met het besluit van 30 augustus 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Met voorafgaande kennisgeving is namens eiseres niemand verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 5 augustus 2024 is opgemaakt door twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De toezichthouders schrijven in het rapport onder meer het volgende.

Historie:
Op 14 maart 2023 omstreeks 14.15 uur is mij, [toezichthouder 1] , gebleken dat met eenvervoermiddel van [eiseres] te [plaats] ingedikte kalvergier werdvervoerd waarbij de lading niet was afgedekt. Hiervoor is destijds een waarschuwingaangezegd. Een afschrift van de in verband hiermee op 29 maart 2023 aan [eiseres]verzonden waarschuwingsbrief is als bijlage 1 bij dit rapport gevoegd.
Bevinding(en):
Op 05 april 2024 ontvingen wij, [toezichthouder 1] en [toezichthouder 2] , via collega [naam] een melding datdoor de ons bekende [agent] van de politie Noord-Nederland, bij Emmen eenvrachtwagencombinatie van de [eiseres] was staande gehouden. Bijcontrole was door deze geconstateerd dat de lading vaste rundveemest, zijnde een dierlijkproduct, die met dit vervoermiddel werd vervoerd niet was afgedekt.[…]
De bedoelde vrachtwagencombinatie zou geparkeerd staan op de parkeerplaats bij Scania Emmen, gevestigd aan de Edisonstraat 2a te 7825GS Emmen.
Op 05 april 2024, omstreeks 10.57 uur, bevonden wij ons naar aanleiding van hetbovenstaande op genoemde parkeerplaats. Hier zagen wij een truck met aanhangwagen metde kentekens [kenteken] en [kenteken] , beiden voorzien van containerbakken, geparkeerdstaan. Wij zagen dat op de truck het opschrift " [eiseres] " was aangebracht.Kennelijk betrof het hier dus de door de politie staande gehouden vrachtwagencombinatie.
Bij controle van deze vrachtwagencombinatie heb ik, [toezichthouder 1] , gezien dat:

De twee hierop geplaatste containerbakken niet waren afgedekt.

In deze twee containerbakken kennelijk vaste, strorijke mest aanwezig was. Aan de geur,de kleur en de hoedanigheid hiervan heb ik vastgesteld dat het hier vaste rundveemest,zijnde een dierlijk product, betrof.

Vanuit de op de aanhangwagen geplaatste containerbak een bruine vloeistof, kennelijkmestvocht, lekte.
Hieruit bleek mij dat een dierlijk product (vaste rundveemest) werd vervoerd in 2 nietafgedekte en lekkende (1) recipiënten.[…]
Omdat de chauffeur van de genoemde vrachtwagencombinatie op dat moment niet terplekke aanwezig was bevonden wij ons op 5 april 2024 omstreeks 16.10 uur nogmaals opeerdergenoemde parkeerplaats. Hier sprak ik, [toezichthouder 1] , nadat ik mij door het tonen vanmijn legitimatiebewijs Toezichthouder in mijn naam en functie aan hem had bekendgemaakt, in de cabine van de truck met het kenteken [kenteken] met een persoon die mij desgevraagd opgaf te zijn:
[chauffeur][…]
Ik, [toezichthouder 1] , heb [chauffeur] van de door ons, [toezichthouder 1] en [toezichthouder 2] , geconstateerdeovertreding in kennis gesteld en hem verteld dat ik hem hieromtrent vragen wilde stellenwaarop hij niet verplicht was antwoord te geven. Hierop werd door hem het volgendeverklaard:
"Ik werk in loondienst bij [eiseres] te [plaats] . Deze vrachtwagencombinatie stond vanmorgen met andere containerbakken, met hierin ongeboren mest geladen bij [naam] in Apeldoorn, klaar voordat ik ermee ging rijden. De containerbakken heb ik om 06.15 uur gelost bij de vergister van [eiseres] in [plaats] . Daar heb ik deze containerbakken op de vrachtauto gezet waarna ik naar Dalfsen ben gereden. Daar heb ik bij [naam] deze vaste mest geladen. De opdracht hiervoor heb ik gekregen via [naam] , de planner van [eiseres] . De in Dalfsen geladen mest moest ik volgens de planning lossen in [plaats] . Als ik daar zou zijn zouden we wel verder kijken.
De lading heb ik na vertrek uit Dalfsen niet afgedekt omdat het op dat moment regende. Bovendien was er maar één afdekkleed op de auto aanwezig. De container op de aanhangwagen lekt waarschijnlijk omdat de spindel van de klep niet goed is aangedraaid. Ik zal deze straks beter vastdraaien
."
Ik, [toezichthouder 1] , heb [chauffeur] van de door hem begane overtreding in kennis gesteld en hemhiervoor een boeterapport aangezegd.
Door mij, [toezichthouder 1] , is [chauffeur] opgedragen de containers met mest alsnog af te dekkenen de spindel van de klep van de aanhangwagen vaster aan te draaien zodat lekkage vanmestvocht kon worden voorkomen. Hieraan is door deze later gevolg gegeven.
Op 16 april 2024 heb ik, [toezichthouder 1] , per emailbericht bestuurder [naam] vande besloten vennootschap genaamd: [eiseres] , gevestigd [adres] , van de door ons, [toezichthouder 1] en [toezichthouder 2] , geconstateerde overtredingen in kennis gesteld. In het genoemde emailbericht heb ik [bestuurder] , waarvan de personalia bij mij, [toezichthouder 1] , bekend zijn als: [bestuurder] , de gelegenheid gegeven een verklaring af te leggen omtrent de door ons geconstateerde overtredingen. Nadat ik hierop geen reactie had ontvangen heb ik op 29 april 2024 ter herinnering nogmaals een emailbericht gestuurd maar ook hierop werd door mij geen reactie ontvangen.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten, zijnde vaste rundermest, voldeden aan de eisen inzake verzameling en vervoer. Tijdens de opslag van dierlijke bijproducten werd geen gebruik gemaakt van afgesloten lekvrije recipiënten.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 17, eerste lid, en Bijlage VIII, Hoofdstuk I, Afdeling 1, onder punt 1, van Verordening 142/2011 [1] , gelezen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, en met artikel 3.3, eerste lid, onder b, van de Regeling dierlijke producten.
Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500,-.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?
4. Eiseres voert aan dat zij geen overtreding heeft begaan en het door verweerder gestelde feitencomplex betwist. Er wordt gesteld dat sprake zou zijn van een lek, maar dat is niet vastgesteld. Evenmin is vastgesteld dat sprake was van enig gebrek aan de wagen waardoor de inhoud kon (gaan) lekken. Het enkele feit dat er vloeistof zichtbaar was is niet hetzelfde als dat sprake is van een lekkage, aldus eiseres.
4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [2] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder mag daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2.
Verweerder verwijt eiseres Bijlage VIII, hoofdstuk I, afdeling 1, punt 1 van Verordening 142/2011 te hebben overtreden, waarin staat dat dierlijke bijproducten worden verzameld en vervoerd in afgedekte lekvrije recipiënten of voertuigen. Eén van de toezichthouders heeft in het rapport geconcludeerd dat een chauffeur van eiseres mest vervoerde in twee niet afgedekte en één lekkende recipiënt. Dat de mest in de twee containerbakken op de vrachtwagencombinatie niet waren afgedekt, wordt door eiseres niet betwist. Over de lekkende recipiënt schrijft de toezichthouder in het rapport dat hij zag dat vanuit de op de aanhangwagen geplaatste containerbak een bruine vloeistof, kennelijk mestvocht, lekte. Bij het rapport zit ook een foto waarop een streep vocht op de band te zien is en daaronder bruin vocht op de grond. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de vaststelling van de toezichthouder dat de containerbak mestvocht lekte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan.
Cautie en recht op bijstand
5. Eiseres voert aan dat betrokkenen ten onrechte geen cautie is gegeven en ten onrechte niet zijn gewezen op het recht op bijstand van een advocaat; niet bij de constatering, niet bij het voornemen en niet bij het boetebesluit. Dit klemt te meer nu verweerder bekend is dat eiseres een vaste gemachtigde heeft. Eiseres is meer dan proportioneel geschaad door het niet kunnen voeren van een verantwoorde procedure.
5.1.
Op grond van art. 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen en wordt diegene voor het verhoor medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Uit jurisprudentie [3] volgt dat diegene voor het verhoor ook moet worden gewezen op het recht op bijstand door een raadsman. Gebeurt dit niet dan moet worden beoordeeld of sprake is geweest van een behoorlijk proces en als dat niet het geval is, moeten de afgelegde verklaringen worden uitgesloten van bewijs.
5.2.
In het rapport van bevindingen staat dat één van de toezichthouders de chauffeur van eiseres heeft verteld dat zij hem over de vastgestelde overtreding vragen wilden stellen waarop hij niet verplicht was antwoord te geven. De rechtbank ziet geen reden om eraan te twijfelen dat die mededeling is gedaan en dat de chauffeur van eiseres aldus de cautie is gegeven. Uit het rapport blijkt niet dat de chauffeur van eiseres ook is gewezen op zijn recht op rechtsbijstand. Dit had wel gemoeten. De rechtbank verbindt hier echter geen gevolgen aan, nu de verklaringen van de chauffeur niet zijn gebruikt als bewijsmiddel dat de overtreding is begaan. Voor het overige is niet gebleken dat betrokkenen van eiseres in deze procedure zijn verhoord of verklaringen over de feiten en omstandigheden met betrekking tot de gestelde overtreding hebben afgelegd, zodat er op andere momenten ook geen verplichting voor verweerder bestond om de cautie te geven of te wijzen op het recht op rechtsbijstand.
Stukken in bezwaar
6. Eiseres voert aan dat de zeven bijlagen die bij het bestreden besluit zijn gevoegd onderdeel hadden moeten vormen van het primaire besluit. Artikel 7:4 van Pro de Awb is geschonden. Een hoorzitting wordt een farce als er geen compleet dossier ligt. Het toevoegen van stukken na het boetebesluit en na het horen is onrechtmatig en leidt tot schending van de hoorplicht. Eiseres is zwaar in haar belangen geschaad, nu het vanwege het laat overleggen van stukken haar onmogelijk wordt gemaakt om op adequate wijze te reageren.
6.1.
Bij het bestreden besluit zijn de volgende bijlagen gevoegd: het verslag van de hoorzitting, een overzicht van de regelgeving, een schriftelijke waarschuwing, het inspectieverslag behorend bij die waarschuwing en drie stukken over de verzending van de waarschuwing. De hoorzitting heeft in bezwaar plaatsgevonden en het verslag daarvan kon verweerder dus eerst bij het bestreden besluit overleggen. Het overzicht met regelgeving is slechts een weergave van relevante voorschriften en in zoverre geen (inhoudelijk) op de zaak betrekking hebbend stuk. De schriftelijke waarschuwing was al bij het rapport van bevindingen gevoegd en met het voornemen aan eiseres gezonden. Eiseres heeft geen zienswijze ingediend en eerst op de hoorzitting is door eiseres naar voren gebracht dat zij het voornemen met de waarschuwing niet had ontvangen en evenmin bekend was met die eerdere waarschuwing. Vervolgens heeft verweerder na de hoorzitting de waarschuwing met inspectieverslag opnieuw naar eiseres verzonden tezamen met twee stukken die zien op de verzending van de waarschuwing, en eiseres gelegenheid geboden om daarop te reageren, zoals volgt uit e-mails die bij het verweerschrift zijn gevoegd. Tot slot is bij het bestreden besluit nog een e-mail van de toezichthouder gevoegd die ziet op het versturen van de waarschuwing, maar dit betreft slechts een nadere onderbouwing dat de waarschuwing is verzonden, in reactie op wat door eiseres naar voren gebracht is in bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze gang van zaken niet in strijd met artikel 7:4 van Pro de Awb gehandeld en evenmin de hoorplicht geschonden. Ook is de rechtbank niet gebleken dat eiseres in haar verdedigingsbelangen is geschaad, nu eiseres in bezwaar de gelegenheid heeft gehad op de eerdere waarschuwing te reageren.
Eerdere waarschuwing
7. Eiseres stelt dat de door verweerder aan de rechtbank gestuurde stukken volledig de beschouwingen in het verweerschrift ondermijnen. Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank in de zaak ROT 24/9430. [4]
7.1.
De rechtbank begrijpt dit betoog van eiseres aldus dat zij stelt de eerdere schriftelijke waarschuwing van 29 maart 2023 destijds niet te hebben ontvangen, zodat verweerder niet bevoegd zou zijn eiseres voor de onderhavige overtreding een boete op te leggen. De hoogste bestuursrechters hanteren als uitgangspunt dat als een besluit niet aangetekend wordt verzonden, het bestuursorgaan (in dit geval de minister) aannemelijk moet maken dat het besluit is verzonden. [5] Het bestuursorgaan kan daarbij in eerste instantie volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres, omdat per post verzonden stukken normaal gesproken de volgende dag worden bezorgd. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Als het bestuursorgaan de verzending aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de geadresseerde (in dit geval de onderneming) om feiten naar voren te brengen op grond waarvan de ontvangst van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat op de schriftelijke waarschuwing het adres van eiseres is vermeld en de datum 29 maart 2023. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de waarschuwing per gewone post is verzonden en onder verwijzing naar enkele stukken toegelicht op welke wijze de verzending bij de NVWA plaatsvindt. Verweerder heeft een e-mailbericht overgelegd waarin een toezichthouder op 29 maart 2023 het Team administratieve ondersteuning (TAO) van de NVWA verzoekt een waarschuwing te versturen, waarbij het nummer dat ook op de waarschuwing van eiseres staat (143356), als bijlage wordt vermeld. Verweerder heeft toegelicht dat TAO de handtekening op de waarschuwing plaatst en deze digitaal opslaat. Vervolgens heeft een medewerker van TAO aan de afdeling DIV per e-mail verzocht een aantal brieven uit te printen en te verzenden, waarbij ook het nummer van de waarschuwing voor eiseres (178468) wordt genoemd. Deze e-mail is door verweerder ook overgelegd evenals een e-mail waarin een medewerker van DIV de volgende dag (30 maart 2023) antwoordt dat de brieven zijn geprint, verzendklaar zijn gemaakt en die dag met de post meegaan. Ook heeft verweerder een uitdraait uit het systeem van de NVWA (Spin) overgelegd waaruit volgt dat afdeling TAO op 3 april 2023 heeft geregistreerd dat de waarschuwing met referentienummer 178468/143356 is verzonden. Hiermee heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de waarschuwing rond 30 maart 2023 naar eiseres is verzonden. Voorts heeft eiseres geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de ontvangst van de waarschuwing redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De enkele stelling dat zij het stuk niet heeft ontvangen, is onvoldoende.
7.3.
In de schriftelijke waarschuwing van 29 maart 2023 is vastgesteld dat eiseres op 14 maart 2023 kalvergier vervoerde waarbij de lading niet was afgedekt en wordt een waarschuwing gegeven voor overtreding van dezelfde voorschriften als waarvoor eiseres onderhavige boete is opgelegd. Nu aannemelijk is dat deze waarschuwing eiseres heeft bereikt, heeft verweerder in overeenstemming met het toepasselijk interventiebeleid [6] voor de overtreding van dezelfde voorschriften op 4 april 2024 een boete opgelegd.
Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete
8. Verweerder heeft eiseres voor de overtreding op 4 april 2024 een boete opgelegd van € 2.500,-. Dit is het standaardboetebedrag dat daarvoor geldt op grond van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen. Ook de rechtbank is daarvan niet gebleken. De rechtbank vindt de opgelegde boete passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is dus ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:10a

Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen.
Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
Artikel 7:4, tweede lid
Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.

Verordening 142/2011

Artikel 17, eerste lid
Exploitanten zien erop toe dat dierlijke bijproducten en
afgeleide producten:
voldoen aan de eisen inzake verzameling, vervoer en identificatie van bijlage VIII, hoofdstukken I en II;
tijdens het vervoer vergezeld gaan van handelsdocumenten of gezondheidscertificaten
Bijlage VIII, Hoofdstuk I, Afdeling I, punt 1
Vanaf het in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde beginpunt in de productieketen moeten dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden verzameld en vervoerd in gesloten nieuwe verpakkingen of afgedekte lekvrije recipiënten of voertuigen.

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Regeling dierlijke producten

Artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
b) de artikelen 3, 5, tweede lid, 6, derde tot en met zesde lid en achtste lid, 8, eerste lid, 9, 10, eerste lid, 11, tweede en derde lid, 12, tweede en derde lid, 13,,15, 17, 19, 20, eerste en tweede lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, 23, 24, 25, eerste en derde lid, 27, derde lid 28, tweede en vierde lid en 31 van verordening (EU) nr. 142/2011;

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn
6.Specifiek interventiebeleid Dierlijke bijproducten (IB03-SPEC33, versie 04) en regel 33R022020 in de Bijlage