Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Berkel en Rodenrijs, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland
Samenvatting
Procesverloop
Overgangsrecht Omgevingswet
Beoordeling door de rechtbank
Het college heeft het verzoek om tegemoetkoming in planschade voor het overige afgewezen. Dit betreft onder meer inkomens- en bijkomende schade.
Daarnaast heeft het college besloten de proceskosten in bezwaar (€ 1.248,-) en een deel van de gemaakte additionele kosten (€ 15.310,97) te vergoeden. In totaal is een bedrag van € 126.708,97 toegekend en betaald aan eiseres.
Eiseres betoogt onder meer dat het college in het bestreden besluit is uitgegaan van een onjuiste planologische vergelijking, waardoor een te laag schadebedrag is berekend. Ook is ten onrechte geen vergoeding gegeven voor liquidatie-, inkomens- en bijkomende schade. Daarnaast heeft het college ten onrechte een aftrek voor het normaal maatschappelijk risico van 3% toegepast. De gemaakte rechtsbijstands- en deskundigenkosten als bedoeld in artikel 6.5 van de Wro zijn volgens eiseres ten onrechte slechts gedeeltelijk vergoed. Eiseres betoogt ook dat de adviezen van Thorbecke en SAOZ gebreken bevatten en dat het college zich – in strijd met artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – niet van de juistheid van die adviezen heeft vergewist. Het college had zich daarom niet op de adviezen mogen baseren.
In dit geval gaat het om directe planschade, dat wil zeggen planschade als gevolg van een planologische ontwikkeling op de gronden van de aanvrager om een tegemoetkoming in planschade. Bij het bepalen van de omvang van directe planschade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de invulling van het oude planologische regime waaraan de onroerende zaak de hoogste waarde ontleent en de invulling waaraan de onroerende zaak onder het nieuwe planologische regime de hoogste waarde ontleent.
Het geschil tussen partijen over de planologische vergelijking beperkt zich dus tot de vraag wat onder het oude planologische regime op het perceel was toegestaan.
Eiseres stelt dat het college in e-mails van 19 december 2008 en 23 januari 2009 de volledige positieve bestemming voor het bedrijf uitdrukkelijk heeft erkend. In e-mails van DCMR van 10 en 14 april 2008 is bevestigd dat de zand- en grondhandel, afhankelijk van het bedrijfsoppervlak, in milieucategorie 2 of 3.2 valt. Verder is hierin bevestigd dat de activiteit afvalinzameling op het perceel onder milieucategorie 3.1 valt. Het in ontvangst nemen van afval valt, afhankelijk van het bedrijfsoppervlak, onder milieucategorie 3.1 of 3.2. Ook in het taxatierapport van 19 februari 2009 is expliciet bevestigd dat DCMR en het college van mening waren dat de bedrijfsactiviteiten op het perceel van eiseres niet in strijd waren met het voormalige bestemmingsplan. In de omgevingsvergunning van 30 november 2011 heeft het college zich eveneens op het standpunt gesteld dat alle bedrijfsactiviteiten pasten in het voormalige bestemmingsplan. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is de raad er ook van uitgegaan dat het bedrijf op grond van het overgangsrecht zou mogen worden voortgezet, zoals onder meer blijkt uit de nota van zienswijzen en overweging 11.3 van de tussenuitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019 over het bestemmingsplan (ECLI:NL:RVS:2019:2023; hierna: de tussenuitspraak). De overwegingen 4 en 11.6 van de tussenuitspraak doen daar niet aan af. Volgens eiseres blijkt daaruit alleen dat een planologische regeling in het bestemmingsplan nodig was om alle bedrijfsactiviteiten legaal te kunnen blijven voortzetten en aan de geldende geluidsnormen te blijven voldoen. Voor de geluidsschermen was namelijk slechts een tijdelijke omgevingsvergunning voor drie jaar verleend.
Naar aanleiding van het verweerschrift bestrijdt eiseres dat bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 4.1 en hoger op het perceel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid waren uitgesloten. Dit wordt vrijwel nooit aangenomen. Bovendien blijkt uit de omgevingsvergunning van 3 november 2016 voor de (tijdelijke) geluidsschermen dat alle bedrijfsactiviteiten op het perceel konden worden uitgevoerd en dat met de geluidsschermen kon worden voldaan aan de geldende geluidsnormen. Verder wijst eiseres er onder meer op dat gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtlijnen en indicatieve afstanden uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (de VNG-brochure).
Het plan maakte volgens het college ook geen bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 5.3 mogelijk. Bij de planologische vergelijking kan volgens het college voor de maximale planologische mogelijkheden van het voormalige bestemmingsplan worden uitgegaan van milieucategorie 3.
Het college wijst erop dat de Afdeling in de tussenuitspraak heeft geoordeeld dat de bedrijfsactiviteiten van eiseres niet planologisch legaal plaatsvonden onder het voormalige bestemmingsplan. Groothandel en opslag tot en met milieucategorie 5.3 waren niet mogelijk; uit de tussenuitspraak blijkt namelijk dat het voormalige bestemmingsplan geen grondslag bood voor bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 4.2. Bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 4.1 waren volgens het college evenmin mogelijk, omdat die activiteiten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid waren uitgesloten. In dat verband stelt het college dat in de VNG-brochure de bedrijfscategorie “Groothandel en handelsbemiddeling” voor het overgrote deel bestaat uit bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 2 of 3 en dat de enige bedrijfsactiviteit van milieucategorie 4.1 “groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen met een opslagcapaciteit voor vloeistoffen van maximaal 100.000 m3” is. Een dergelijk gebruik is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten, omdat daarvoor een richtafstand van 200 m geldt en er woningen direct aan het perceel van eiseres grenzen. Het college gaat er daarom van uit dat het voormalige plan maximaal milieucategorie 3 toeliet.
Er is planologisch nadeel door de wijziging van de toegelaten milieucategorieën, nu het nieuwe bestemmingsplan na de overgangsperiode alleen nog bedrijven van milieucategorie 1-2 mogelijk maakt en door beperking van de bouwmogelijkheden op het perceel. Overigens zou het perceel volgens het college geen hogere waarde ontlenen aan het gebruik voor de genoemde activiteit van milieucategorie 4.1 dan aan de toegestane bedrijfsactiviteiten binnen milieucategorie 3. Dit volgt uit het advies van SAOZ.
In de tussenuitspraak over het bestemmingsplan heeft de Afdeling geoordeeld dat het gebruik onder het voormalige bestemmingsplan niet planologisch legaal plaatsvond. De raad was daar bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte van uitgegaan. Om mogelijk te maken wat de raad heeft beoogd, namelijk dat de bedrijfsactiviteiten nog een bepaalde tijd kunnen worden voorgezet, had moeten worden voorzien in een maatbestemming voor de bestaande bedrijfsactiviteiten en geluidsschermen, en wel in die zin dat deze voorlopig mogen plaatsvinden en voorlopig aanwezig mogen zijn tot het tijdstip van bedrijfsverplaatsing.
De rechtbank ziet geen reden om in afwijking van de tussenuitspraak te oordelen dat de bedrijfsactiviteiten in overeenstemming waren met het voormalige bestemmingsplan. In de eerste plaats zou de planregeling die naar aanleiding van de tussenuitspraak in het bestemmingsplan is opgenomen niet mogelijk zijn als de bestaande bedrijfsactiviteiten volledig waren toegestaan onder het vorige bestemmingsplan. In dat geval had de werking van het gebruiksovergangsrecht namelijk niet mogen worden uitgesloten.
De rechtbank overweegt verder dat de bedrijfsactiviteiten van eiseres verder strekken dan de in de planregels genoemde activiteit “groothandel en opslag”. De afvalcontainerservice omvat ook andere activiteiten met afval dan alleen opslag, zoals sorteren. Nu die activiteiten niet zijn aan te merken als “groothandel en opslag”, waren ze, ongeacht de milieucategorie, planologisch niet toegestaan. Eiseres heeft gewezen op e-mails van het college uit 2008 en 2009, maar daaruit kan alleen worden afgeleid dat het college van mening was dat de destijds (nog op een andere locatie) bestaande vorm van groothandel en opslag van zand en grond paste binnen de bestemming van het perceel [adres 2]. Uit de e-mails kan niet worden afgeleid dat dit ook geldt voor de activiteiten met afval, die op de oude locatie nog niet werden verricht.
Voor “groothandel en opslag” was geen maximale milieucategorie opgenomen in de planvoorschriften van het voormalige bestemmingsplan. In de tussenuitspraak van de Afdeling is ervan uitgegaan dat de bestaande bedrijfsactiviteiten van eiseres onder milieucategorie 4.2 vielen. De rechtbank gaat ervan uit dat die categorie van toepassing was vanwege de handelingen met afvalstoffen, die zoals hiervoor is overwogen planologisch niet waren toegestaan. De activiteiten die onder “groothandel en opslag” vallen zijn door het college aangemerkt als milieucategorie 3. Het college mocht ervan uitgaan dat het uitoefenen van de enige bedrijfsactiviteit van milieucategorie 4.1 die in de VNG-brochure in de categorie “Groothandel en handelsbemiddeling” is vermeld met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten, gelet op de korte afstand tot woningen. Eiseres heeft betoogd dat met de geluidsschermen aan de geluidnormen kan worden voldaan, maar dat is niet het enige relevante hinderaspect.
Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat het voormalige bestemmingsplan alleen groothandel en opslag toeliet tot en met milieucategorie 3. Het college is er terecht van uitgegaan dat de op de peildatum bestaande bedrijfsactiviteiten waarbij ook een afvalcontainerservice aanwezig was, niet in overeenstemming waren met het voormalige bestemmingsplan.
In de omgevingsvergunning van 30 november 2011 is expliciet vermeld dat een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een sorteerruimte ten behoeve van het sorteren c.q. scheiden van bouwafval en dat het een inrichting voor zand- en grondhandel en een afvalcontainerservice betrof. Ook uit correspondentie en uit het feit dat het college als adviseur was betrokken bij de oprichtingsvergunning milieu van 7 oktober 2010 blijkt volgens eiseres dat het college op de hoogte was van de bedrijfsactiviteiten.
Eiseres betoogt ook dat uit de tussenuitspraak van 26 juni 2019 over het bestemmingsplan niet volgt dat geen impliciete vrijstelling is verleend met de omgevingsvergunning van 30 november 2011. De Afdeling heeft daar volgens haar niet over geoordeeld.
In het verweerschrift staat dat het college van gedeputeerde staten op 7 oktober 2010 een tijdelijke omgevingsvergunning milieu voor de inrichting heeft verleend voor de duur van tien jaar. Eiseres stelt dat op 10 augustus 2016 een revisievergunning voor onbepaalde tijd is verleend voor een inrichting voor het inzamelen van afvalstoffen, afvoeren van gescheiden afvalstoffen en handel in zand en grond. Uit die vergunning blijkt volgens eiseres dat de omgevingsvergunning van 7 oktober 2010 ook voor onbepaalde tijd geldt.
Er zijn nog andere omgevingsvergunningen voor het bedrijf van eiseres verleend, zoals de omgevingsvergunningen milieu van 7 oktober 2010 en 10 augustus 2016. Die omgevingsvergunningen hadden ook betrekking op de activiteiten met afvalstoffen. Het is begrijpelijk dat eiseres daaruit heeft afgeleid dat de bedrijfsactiviteiten legaal waren. Voor de vraag of de activiteiten planologisch waren toegestaan, zijn deze vergunningen echter niet bepalend. Een impliciete vrijstelling van het bestemmingsplan kan alleen worden afgeleid uit een omgevingsvergunning voor bouwen.
Het berekende bedrag voor waardevermindering van het perceel bedraagt in het rapport van Bijsterbosch € 130.000,-. In het advies van SAOZ is hiervoor slechts € 125.000,- berekend. De liquidatieschade, inkomensschade en bijkomende schade moeten volgens eiseres ook vergoed worden, omdat het bedrijf met het bestemmingsplan feitelijk volledig is wegbestemd en daarmee ook sprake is van een feitelijke onteigening en/of liquidatie van alle wel (planologisch) gelegaliseerde bedrijfsactiviteiten op het perceel. Volgens eiseres is er daarom wel degelijk een causaal verband tussen het beëindigen van de bedrijfsvoering op het perceel en het schadeveroorzakende bestemmingsplan. Ook de aangevoerde kosten voor transitievergoeding, administratieve lasten afwikkeling staking en accountant moeten worden vergoed, omdat die kosten zijn gemaakt ter beperking van de geleden vermogens- en inkomensschade.
Zij betoogt dat in dit geval geen aftrek voor het normaal maatschappelijk risico mag worden toegepast. Het gaat om een ernstige en ingrijpende gebruiksbeperking en om directe planschade. Volgens de bezwaarschriftencommissie mag daarom helemaal geen aftrek vanwege het normaal maatschappelijk risico worden toegepast (onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2598). In het advies van SAOZ en het bestreden besluit is hier zonder goede motivering van afgeweken. Eiseres stelt dat SAOZ in het advies niet van dezelfde ernstige en ingrijpende gebruiksbeperking door het schadeveroorzakende bestemmingsplan is uitgegaan als het rapport van Bijsterbosch. Eiseres is bovendien – net als de bezwaarschriftencommissie – van mening dat het wegbestemmen van het bedrijf niet in de lijn der verwachting lag, mede gelet op de omgevingsvergunningen van 30 november 2011 en 3 november 2016. Weliswaar zijn de geluidsschermen in die laatste vergunning slechts voor maximaal drie jaar vergund, maar daarbij werd uitgegaan van vrijwillige bedrijfsverplaatsing en niet van gedwongen beëindiging van het bedrijf.
Voor zover al een aftrek voor het normaal maatschappelijk risico mag worden toegepast, mag die volgens eiseres niet hoger zijn dan 2%. In het advies van Thorbecke is op verzoek van het college uitgegaan van een aftrek van 2%. Het college kon daar niet later op terugkomen. Volgens eiseres heeft het college het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat een aftrek van maximaal 2% zou worden gehanteerd. Het bestreden besluit is onduidelijk doordat het college zich daarin zowel op het advies van SAOZ als op het advies van Thorbecke baseert.
Eiseres voert ook aan dat de handvatten die de Afdeling inmiddels heeft aangereikt voor de bepaling van het normaal maatschappelijk risico alleen gelden voor indirecte planschade en niet voor directe planschade, zoals hier aan de orde is. Er is niet specifiek op de aard en omvang van het nadeel ingegaan. Volgens eiseres is dat een zelfstandig criterium. Zij leidt dit af uit de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:214. Daaruit volgt volgens eiseres dat bij indirecte planschade uitzonderlijk hoge schade moet worden meegewogen bij de omvang van het normaal maatschappelijk risico.
Volgens het college is het niet onduidelijk van welk percentage in het bestreden besluit is uitgegaan. Het college heeft het bestreden besluit genomen aan de hand van een nieuw planschadeadvies met een nieuwe berekening van de hoogte van de planschade. Het college heeft besloten om in te stemmen met het planschadeadvies van SAOZ en dit advies, gelezen in samenhang met het advies van Thorbecke, mede ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit. In het advies van SAOZ is gemotiveerd waarom het normaal maatschappelijk risico op 3% moet worden gesteld en het college schaart zich achter dit advies. Volgens het college is geen sprake van rechtsverwerking. Er is geen zodanig tijdsverloop dat het college naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gebruik meer kan maken van zijn bevoegdheid tot volledige heroverweging van het bestreden besluit. [1] Bovendien is de aanvraag om tegemoetkoming in planschade in het primaire besluit nog afgewezen en is in het bestreden besluit alsnog een tegemoetkoming toegekend, met een normaal maatschappelijk risico van 3%. Dat in het advies van Thorbecke een percentage van 2% is gehanteerd maakt niet dat eiseres er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat dit percentage bij een heroverweging in bezwaar niet wordt aangepast.
De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval (zie de overzichtsuitspraak).
In de overzichtsuitspraak worden twee indicatoren genoemd om te bepalen of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Dit zijn de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past en de mate waarin de ontwikkeling in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past. Uit de overzichtsuitspraak volgt dat een drempel van 3% kan worden toegepast indien aan één van beide indicatoren in zijn geheel niet wordt voldaan of indien aan beide indicatoren deels wordt voldaan.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ontwikkeling niet past in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid. Het gaat dus alleen nog om de vraag of de ontwikkeling – kort gezegd: het verlagen van de ter plaatse toegestane milieucategorie – naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past. Volgens het college is dat het geval. Nu het in dit geval gaat om een omgeving met een lint van woonbebouwing en bedrijfsactiviteiten in een zware milieucategorie op zeer korte afstand van de dichtstbijzijnde woningen, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Dat er omgevingsvergunningen zijn verleend voor de bedrijfsactiviteiten doet daar niet aan af. Dit kan wel van belang zijn voor de beoordeling of de ontwikkeling in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past, maar partijen zijn het erover eens dat niet aan dat criterium wordt voldaan.
Het voorgaande betekent dat in dit geval aan één van beide indicatoren wordt voldaan en aan de andere indicator niet. Uit de overzichtsuitspraak volgt voor die situatie een aftrek van 3% voor het normaal maatschappelijk risico.
Het uitgangspunt is daarom dat rechtsbijstands- en deskundigenkosten pas worden vergoed nadat een conceptadvies is uitgebracht door de deskundige die door het college is ingeschakeld. In de uitspraak van 16 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF7337, waarnaar eiseres heeft verwezen, heeft de Afdeling een uitzondering gemaakt op dit uitgangspunt. De planschadeverordening vergde in dat geval in eerste instantie een dermate actieve en specialistische inbreng van de aanvrager, dat het inroepen van rechtsbijstand in het kader van de vaststelling van de schade redelijk was. Uit de uitspraak blijkt dat de aanvraag op grond van de planschadeverordening ten minste vergezeld moest gaan van een zo redelijkerwijs mogelijke opgave van de aard en de omvang van de schade, alsmede een specificatie van het bedrag van de schade, en van een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel van aanvrager dient te worden vergoed en – zo een vergoeding in geld wordt gewenst – een opgave van het schadebedrag dat naar het oordeel van aanvrager vergoed dient te worden. Niet is gebleken dat de planschadevergoeding in dit geval vergelijkbare eisen stelt voor het indienen van de aanvraag. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat het inroepen van de deskundige noodzakelijk was, omdat er op dat moment onderhandelingen werden gevoerd over de verplaatsing van het bedrijf en schadeloosstelling. Naar het oordeel van de rechtbank is dat op zichzelf echter geen reden om af te wijken van de hiervoor bedoelde hoofdregel.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het college de rechtsbijstands- en deskundigenkosten die eiseres heeft gemaakt vóór het conceptadvies van Thorbecke niet hoefde te vergoeden. De beroepsgrond slaagt niet.
De behandeling van het bezwaar heeft geduurd van 29 december 2022 tot 14 mei 2024, dus een jaar, vier maanden en ruim twee weken. Dit is een overschrijding van afgerond elf maanden. De behandeling van het beroep heeft geduurd van 19 juni 2024 tot de datum van deze uitspraak, dus een jaar, acht maanden en ruim drie weken. Dit is een overschrijding van afgerond drie maanden. Gelet hierop is de overschrijding van de redelijke termijn voor 11/14 deel toe te rekenen aan het college en voor 3/14 deel aan de rechtbank.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het college tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
(…)
Artikel 6.21. Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager.
Artikel 6.5
Planregels Bestemmingsplan “Groenzoom”Artikel 6 (Bedrijf)6.1 Bestemmingsomschrijving
f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag 2' zijn uitsluitend groothandel en opslag behorende tot milieucategorie 1 en 2 als bedoeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan, waarbij voor een periode van maximaal 5 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan of zoveel eerder indien het bedrijf is beëindigd, tevens het inzamelen, scheiden en afvoeren van bedrijfsafval groothandel en opslag van zand en grond is toegestaan, met dien verstande dat voor deze activiteiten na deze periode geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht;