Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Inleiding en samenvatting
productie 74;
behandeling op 6 februari 2026.
3.De feiten
4.De vorderingen
a) de door [eiseres] geleden vermogensschade van primair € 174.680,62, subsidiair € 233.029,63, meer subsidiair € 27.300,00, meest subsidiair een door de rechtbank te bepalen bedrag;
Als [naam bedrijf] haar onderzoek rechtmatig en voldoende voortvarend had verricht, waren de verhoudingen tussen [eiseres] en het ASZ hersteld en had het ASZ de kantonrechter niet gevraagd de arbeidsovereenkomst met [eiseres] te ontbinden, althans dan was dat verzoek afgewezen. In ieder geval was er bij een rechtmatig en voldoende voortvarend onderzoek een kans geweest op herstel van verhoudingen, een kans die [eiseres] door het onrechtmatige handelen van [naam bedrijf] is ontnomen. Het primair gevorderde bedrag is het verschil tussen het inkomen dat [eiseres] van 1 februari 2023 (de ontbindingsdatum van haar arbeidsovereenkomst) tot 1 februari 2028 had ontvangen als zij bij het ASZ was blijven werken en het inkomen dat zij in deze periode feitelijk ontvangt. Subsidiair stelt [eiseres] dat, als het ontbindingsverzoek door de kantonrechter was toegewezen, een rechtmatig onderzoeksrapport had geleid tot toekenning van een billijke vergoeding. In dat geval was [eiseres] het subsidiair gevorderde bedrag beter af geweest dan nu. Het meer subsidiair gevorderde bedrag is de geschatte winst die [naam bedrijf] met het onderzoek heeft behaald, waarbij [eiseres] verwijst naar artikel 6:104 BW Pro.
Door het onrechtmatige onderzoek van [naam bedrijf] is [eiseres] aangetast in haar eer en goede naam en daarnaast is zij in haar persoon aangetast. Dit moet leiden tot vergoeding van immateriële schade, waarvan de hoogte naar haar aard lastig is te begroten.
5.De verdere beoordeling
Vordering 1
[eiseres] meent dat vordering 3 nog steeds moet worden toegewezen. Het onderzoeksrapport is onrechtmatig en intrekking daarvan maakt dit duidelijk aan (in ieder geval) het ASZ.
In 4.15 van het tussenvonnis heeft de rechtbank het volgende overwogen.
[eiseres] stelt dat deze kans 100% is. Toen zij nog bij het ASZ werkte, heeft zij verschillende keren meegemaakt dat arbeidsverhoudingen ernstig verstoord waren geraakt, maar na het volgen van de klachtenprocedure voldoende waren hersteld om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te voorkomen. Dat is ook het doel van de klachtenregeling, zo benadrukt [eiseres] .
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de kans dat een rechtmatig onderzoek van [naam bedrijf] zodanig had bijgedragen aan herstel van verhoudingen dat het niet tot een ontbindingsverzoek was gekomen moet worden geschat op 15%.
In aanmerking genomen dat herstel van verhoudingen binnen het ASZ een hoofddoelstelling is van de klachtenregeling, [naam bedrijf] zich ertoe heeft verbonden de klachten van [eiseres] zoveel mogelijk volgens de klachtenregeling van het ASZ te behandelen, maar dat niet heeft gedaan en [eiseres] daardoor de bedoelde kans van 15% heeft ontnomen, dient het schadebedrag van € 26.802,09 naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid als gevolg van het onrechtmatige handelen van [naam bedrijf] aan haar te worden toegerekend.
[naam bedrijf] benadrukt dat het onderzoeksrapport alleen aan het ASZ is verstrekt en dat niet is vol te houden dat [eiseres] daardoor in haar eer en goede naam is geschaad. [naam bedrijf] vindt dat het ook te ver voert om aan te nemen dat [eiseres] in haar persoon is aangetast.
De rechtbank acht het aannemelijk dat [eiseres] door de onzorgvuldige handelwijze van [naam bedrijf] is aangetast in haar persoon, met name omdat in het onderzoeksrapport zonder deugdelijke grondslag conclusies zijn getrokken die mede zijn gebaseerd op het beeld dat de onderzoekers van [eiseres] en andere personen hebben gekregen. Zo overwoog de rechtbank in het tussenvonnis:
De eerste reden is dat er veel is gebeurd in de arbeidsrelatie tussen [eiseres] en het ASZ dat impact op [eiseres] zal hebben gehad. De handelwijze van [naam bedrijf] heeft daarbij een rol gespeeld, maar er zijn ook verschillende andere belangrijke factoren in het spel geweest, zoals de manier waarop [eiseres] haar toenmalige leidinggevende heeft ervaren. Het gaat daarom te ver om de door [eiseres] toegelichte immateriële schade alleen of hoofdzakelijk aan het onrechtmatige handelen van [naam bedrijf] toe te rekenen.
De tweede reden is dat [eiseres] aan haar vordering mede ten grondslag heeft gelegd dat [naam bedrijf] het oogmerk had om haar schade toe te brengen (punt 44 van de akte uitlaten na tussenvonnis), waarmee zij verwijst naar de a-grond van artikel 6:106 BW Pro. Hoewel aan [naam bedrijf] gelet op het tussenvonnis ernstige verwijten gemaakt kunnen worden, gaat het te ver om aan te nemen dat zij het oogmerk had om [eiseres] schade te berokkenen. Deze vergaande beschuldiging mist een concrete onderbouwing, zodat de juistheid daarvan niet aannemelijk is gemaakt.
€ 189,00(exclusief eventuele verhoging, zie onder 6.4)