ECLI:NL:RBROT:2025:15271

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
ROT 24/11844
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen wegens te late indiening

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over de afwijzing van een aanvraag voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres, woonachtig in Hoogvliet Rotterdam, had haar aanvraag voor compensatie te laat ingediend, namelijk na de wettelijke aanmeldtermijn die op 1 januari 2024 afliep. De Dienst Toeslagen had de aanvraag afgewezen op basis van deze termijnoverschrijding. Eiseres betoogde dat zij niet op de hoogte was van de noodzaak om zelf een aanvraag in te dienen en dat de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen. De rechtbank oordeelde echter dat de Dienst Toeslagen terecht had afgewezen, omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat er bijzondere omstandigheden waren die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. De rechtbank benadrukte dat de mogelijkheid tot aanmelding voor compensatie breed was gecommuniceerd en dat eiseres zelf ook eerder op de hoogte was geraakt van haar mogelijke status als gedupeerden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen recht had op compensatie en geen griffierecht of proceskostenvergoeding zou ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11844

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Hoogvliet Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. E.O.A Koekkoek),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam 1] en [naam 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) omdat zij deze te laat heeft ingediend. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen omdat zij niet wist dat zij zelf een aanvraag moest doen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 16 juli 2024 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres voor compensatie op grond van de Wht afgewezen op de grond dat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend.
2.1.
Met het besluit van 14 november 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Totstandkoming van het besluit

3. Eiseres heeft op 21 mei 2024 een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag afgewezen.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De Dienst Toeslagen heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht was aanmelding voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag mogelijk tot en met 2 januari 2024. Eiseres heeft zich na deze datum en dus te laat aangemeld. Alleen in bijzondere omstandigheden kan een uitzondering worden gemaakt op deze wettelijke bepaling. In het geval van eiseres is geen sprake van bijzondere omstandigheden. De Dienst Toeslagen heeft zich ingezet om alle mogelijk gedupeerden op de hoogte te brengen van de hersteloperatie en de geldende aanmeldtermijn (via televisie, krant, sociale media en de website).

Beroep van eiseres

4. Eiseres heeft naar voren gebracht dat de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen omdat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zij heeft pas eind 2023 via een televisie-uitzending kennis genomen van de mogelijkheid dat zij als gedupeerde kan worden aangemerkt. Toen zij op haar werk vernam dat zij zelf een aanvraag kon doen, is zij in actie gekomen. Zij heeft in 2024 contact opgenomen met het Juridisch Loket en werd na vijf weken pas teruggebeld en geïnformeerd over de manier waarop zij een aanvraag kon indienen. Eiseres heeft geen aanmeldbrief of andere communicatie ontvangen en heeft geen sociaal netwerk, zodat zij ook via haar omgeving niet op de hoogte kon worden gesteld. Sinds zij te horen kreeg dat haar aanvraag niet in behandeling werd genomen, kampt eiseres met gezondheidsproblemen. Verder doet eiseres een beroep op het evenredigheidsbeginsel en op het zorgvuldigheidsbeginsel.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen op de grond dat deze te laat is ingediend.
5.1.
Een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, moest voor 1 januari 2024 zijn ingediend. [1] Deze aanvraagtermijn is door de wetgever dwingend geformuleerd. Een motie om de aanvraagtermijn te schrappen is door de Tweede Kamer verworpen. [2] Het kabinet acht de termijn van ruim drie jaar redelijk en ziet dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt, omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten.
5.2.
Dat laat onverlet dat het kabinet wel van mening was dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden, waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. [3] Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en toe te lichten in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [4]
5.3.
Met de Dienst Toeslagen acht de rechtbank voor de toepassing van de hardheidsclausule mede de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024 van belang. [5] Uit deze uitspraken volgt dat er bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden die de betrokken aanvrager betreffen. Daarbij valt te denken aan persoonlijke omstandigheden, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of een ongeval, en aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de aanvrager zorgen. Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, acht de rechtbank een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet passend. De Dienst Toeslagen past de hardheidsclausule zelf ook niet heel terughoudend toe. [6] De rechtbank dient per concreet geval te toetsen of, gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding en de door de betreffende ouder genoemde redenen de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiseres niet aannemelijk geworden dat eiseres de aanvraag niet voor het verstrijken van de aanvraagtermijn kon indienen en dat sprake was van bijzondere omstandigheden op basis waarvan de Dienst Toeslagen de termijnoverschrijding verschoonbaar had moeten achten. De rechtbank acht daarvoor het volgende van belang. De toeslagenaffaire is veel in het nieuws geweest en de mogelijkheid om op grond van de Wht compensatie aan te vragen is veelvuldig en op verschillende manieren onder de aandacht van burgers gebracht, waarbij werd vermeld dat burgers zich tot 1 januari 2024 konden aanmelden via de website of telefoon. Eiseres zelf is ook voor het verstrijken van de wettelijke termijn, namelijk in 2023, tot de conclusie gekomen dat zij wellicht aangemerkt kon worden als gedupeerde. Op de zitting heeft zij toegelicht dat zij in september 2023 een uitzending van Radar heeft gezien. Daarna heeft zij op haar werk begrepen dat zij mogelijk ook in aanmerking zou komen voor compensatie. Vervolgens heeft zij pas in 2024 actie ondernomen door contact op te nemen met het Juridisch Loket, om uiteindelijk pas in mei 2024 een aanvraag in te dienen. Op de zitting heeft eiseres verder verklaard dat er geen omstandigheden waren waardoor zij de aanvraag niet eerder kon doen. De ruime overschrijding van de wettelijke termijn kan naar het oordeel van de rechtbank niet alleen verklaard worden door de wachttijd bij het Juridisch Loket. De rechtbank is van oordeel dat eiseres er zelf voor verantwoordelijk is dat zij heeft nagelaten tijdig actie te ondernemen. Niet gebleken is dat sprake was van omstandigheden die dit verhinderden.
5.5.
Evenmin is gebleken dat zich in het geval van eiseres bijzondere feiten of omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. [7] De wetgever heeft bewust gekozen voor een uiterlijke aanmelddatum om ouders een ruime termijn – ongeveer drieënhalf jaar – te geven om hun rechten te kunnen effectueren. [8] Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
5.6.
Het beroep van eiseres op het zorgvuldigheidbeginsel en op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat namens de Dienst Toeslagen toezeggingen zijn gedaan waaruit volgt dat eiseres actief benaderd zou worden. Ook is niet aannemelijk geworden dat de Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gecommuniceerd over de (ontwikkelingen binnen de) hersteloperatie. Op de zitting heeft de Dienst Toeslagen voldoende gemotiveerd toegelicht dat alleen ouders die geregistreerd stonden bij het Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) actief zijn benaderd omdat zij evident slachtoffer waren van de toeslagenaffaire.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De Dienst Toeslagen mocht de aanvraag voor compensatie afwijzen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, voorzitter, en mr. A.J. van Spengen en mr. S. Veling, leden, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
De griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.
2.Kamerstukken II 2023-2024, 31 066, nr. 1306 (Motie Temmink verzoekt de regering de aanmeldingsdeadline van 31 december 2023 te schrappen (31066-1306), verworpen bij Handelingen Tweede Kamer van 26 oktober 2023, nr 18, item 80.
3.Brief van de Staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023, kenmerk 2023-0000266331, pagina 3.
4.Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.
5.Zie de uitspraken van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.
6.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van dezelfde datum als deze uitspraak ROT 24/11068. En vergelijk ook de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5309.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852.
8.Kamerstukken II, 2019/20, 35468, nr. 11, p. 64.