ECLI:NL:RBROT:2025:13491

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
ROT 23/1843
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting en de kostenraming door de gemeente Vlaardingen

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 24 oktober 2025, met zaaknummer ROT 23/1843, wordt het beroep van eiseres tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting beoordeeld. Eiseres, vertegenwoordigd door mr. I.N.D.J. Rissema, heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de heffingsambtenaar van de gemeente Vlaardingen, die op 27 oktober 2022 een naheffingsaanslag van € 68,90 had opgelegd. De rechtbank concludeert dat de gemeente de kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag niet te hoog heeft vastgesteld in de Verordening voor 2022. Eiseres stelt dat het tarief in de tarieventabel onverbindend is, maar de rechtbank oordeelt dat dit tarief niet van toepassing was op haar parkeeractie, waardoor zij geen belang heeft bij deze vraag. De rechtbank behandelt ook de kostenraming van de heffingsambtenaar en oordeelt dat de kosten voor bezwaar- en beroepszaken terecht zijn meegenomen in de raming. Uiteindelijk wordt het beroep van eiseres ongegrond verklaard, wat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft en eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1843

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Vlaardingen,

(gemachtigde: mr. M.H.F. Bucx).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 februari 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan Leaseplan Nederland N.V. op 27 oktober 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiseres heeft aanvullende beroepschriften ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2024 op een zitting van de enkelvoudige kamer behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen.
1.6
De rechtbank heeft het onderzoek in deze zaak bij bericht van 2 juli 2024 heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
1.7
Het beroep is vervolgens op 20 juni 2025 op een zitting van de meervoudige kamer behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen
Namens de heffingsambtenaar is zonder kennisgeving niemand verschenen.
Gebleken is dat de uitnodiging voor de zitting, in strijd met artikel 8:37, eerste lid, van de Awb, niet aangetekend aan de heffingsambtenaar is verzonden. [1] De rechtbank heeft contact opgenomen met de heffingsambtenaar en deze heeft verklaard de uitnodiging voor de zitting niet te hebben ontvangen, maar af te zien van zijn recht om op zitting te worden gehoord.
Gelet hierop heeft de rechtbank de zaak niet opnieuw op een zitting behandeld.
Feiten
2. Op 19 oktober 2022 om 18:38 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto met kenteken [kentekennummer] geparkeerd stond in de Bleekstraat in Vlaardingen zonder dat parkeerbelasting was voldaan.
3. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 27 oktober 2022 een naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag bedraagt in totaal € 68,90, bestaande uit € 2,40 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten voor naheffing.
4. De naheffingsaanslag is opgelegd aan de kentekenhouder, niet zijnde eiseres. Ter zitting heeft eiseres bevestigd degene te zijn die de verschuldigde belasting wilde voldoen.
5. De aanslag is opgelegd op basis van de Verordening parkeerbelasting 2022 van de gemeente Vlaardingen (de Verordening).

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De tarieventabel bij Verordening
7. Eiseres voert aan dat aan haar geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd, omdat zij geen parkeerbelasting was verschuldigd. Daartoe voert zij aan dat de tarieventabel die bij de Verordening hoort onverbindend moet worden verklaard, omdat deze in strijd is met het achtste lid van artikel 225 van de Gemeentewet.
8. In het achtste lid van artikel 225 van de Gemeentewet staat: “Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen kan afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten.”
9. Onder 1.4 in de tarieventabel bij de Verordening [2] staat: “Het reguliere tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur (…) bedraagt per 3 uur € 0,00 (..) indien het een voertuig betreft dat wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte en een gehandicaptenparkeerkaart op zodanige wijze achter de voorruit wordt aangebracht dat zij van buiten duidelijk leesbaar is.”
10. Naar het oordeel van de rechtbank kan het betoog van eiseres niet slagen. Tussen partijen is niet in geschil dat het onder 1.4 in de tarieventabel genoemde tarief niet van toepassing was op de parkeeractie van eiseres. Als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat het bedoelde tarief in strijd zou zijn met de Gemeentewet, dan zou dat er slechts toe kunnen leiden dat het onder 1.4 in de tarieventabel vermelde tarief onverbindend zou worden geacht. Voor het volledig onverbindend achten van de tarieventabel of de Verordening zou in dat geval geen aanleiding bestaan. Nu het onder 1.4 in de tarieventabel vermelde tarief niet van toepassing is in deze zaak, kan het betoog van eiseres niet leiden tot de conclusie dat de naheffingsaanslag in dit geval ten onrechte is opgelegd. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan een beoordeling van de vraag of het onder 1.4 in de tarieventabel vermelde tarief in strijd is met de Gemeentewet. Eiseres heeft daarbij immers geen enkel belang.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kostenonderbouwing
12. Eiseres voert verder aan dat de gemeente Vlaardingen de kosten voor het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting voor het jaar 2022 te hoog heeft vastgesteld in de Verordening. Eiseres heeft op beide zittingen nader uiteengezet dat volgens haar enkel de kosten die direct verbonden zijn met het opleggen van de naheffingsaanslag mogen worden verhaald. Daarnaast mag geen rekening worden gehouden met oninbare vorderingen.
13. In artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting kosten in rekening worden gebracht. Die kosten zijn onderdeel van de naheffingsaanslag. Het bedrag ervan dient op grond van artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet in de gemeentelijke belastingverordening te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
14. De bedoelde algemene maatregel van bestuur, waarin regels worden gesteld over het kostenverhaal, is het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit). In artikel 2, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat het bij kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting gaat om kosten die ten hoogste kunnen bestaan uit een aantal onder a tot en met f specifiek genoemde kostencomponenten voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Het gaat om geraamde kosten.
15. Zoals de rechtbank in haar uitspraken van 20 februari 2025 heeft overwogen moet het criterium “samenhangen met” van artikel 2, eerste lid, van het Besluit zo worden uitgelegd dat kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, geheel in aanmerking komen als kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. [3] Steun voor deze opvatting vindt de rechtbank in de conclusies van AG Pauwels van 25 oktober 2024 [4] , en de uitspraken van hof Den Haag van 9 januari 2025 [5] , en hof Amsterdam van 21 mei 2024 [6] .
16. De rechtbank past bij de toetsing of bepaalde kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen de jurisprudentie over de toetsing van de opbrengstlimiet naar analogie toe. [7] Daarbij geldt, net als bij de toetsing aan de opbrengstlimiet, dat in de raming van de kosten geen kosten mee mogen worden genomen die de gemeente al anderszins verhaalt of kosten die hooguit zijdelings samenhangen met de inning van parkeerbelasting.
Het kostenverhaal van de gemeente Vlaardingen
17. De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2022 een kostenoverzicht in geding gebracht. Dit overzicht is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.
18. Eiseres voert ten aanzien van dit overzicht aan dat het aantal naheffingsaanslagen per jaar onjuist is begroot.
In reactie hierop heeft de heffingsambtenaar uiteengezet dat de genoemde 15.000 uur aan handhaving per jaar bestaan uit 10.000 uur voor het opleggen van naheffingsaanslagen en 5.000 uur voor overige toezicht en handhaving. Uitgaande van 0,86 invorderbare naheffing per uur is een schatting gemaakt van 8.600 naheffingsaanslagen per jaar. De heffingsambtenaar heeft deze aantallen onderbouwd met de gegevens over het aantal naheffingsaanslagen in de jaren 2017 tot en met 2022.
Anders dan eiseres betoogt, mag de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de kosten van de naheffingsaanslag rekening houden met oninbare naheffingen en uitgaan van een raming van het aantal inbare naheffingsaanslagen. [8] De heffingsambtenaar heeft vervolgens met de door hem overgelegde overzichten en de toelichting daarop het aantal (inbare) naheffingsaanslagen van 8600 per jaar voldoende onderbouwd. [9]
19. Eiseres voert verder aan dat de kosten van bezwaar- en beroepszaken ten onrechte zijn meegenomen in de raming. De rechtbank kan haar daarin niet volgen. Bezwaar- en beroepszaken zijn een direct gevolg van naheffingsaanslagen parkeerbelasting en moeten worden gevoerd om die aanslagen in stand te houden. Daarom hangen de daarvoor door de gemeente gemaakte kosten meer dan zijdelings samen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting.
20. Daarnaast voert eiseres aan dat de invorderingskosten (mogelijk) verhaalbaar zijn op grond van de Kostenwet en daarom niet kunnen worden betrokken in de kostenraming. De rechtbank kan eiseres hierin volgen. In de door de heffingsambtenaar overgelegde kostenraming is niet duidelijk of en voor welk bedrag de invorderingskosten op grond van de Kostenwet worden verhaald. De kosten per naheffingsaanslag bedragen echter meer dan het wettelijke maximum van € 66,50, ook als geen rekening zou worden gehouden met de totale invorderingskosten van € 45.115,25. [10] De conclusie blijft onverminderd dat de heffingsambtenaar terecht € 66,50 naheffingskosten in rekening heeft gebracht.
21. De overige kostenposten heeft eiseres onvoldoende concreet bestreden. De algemene stelling in haar nadere beroepschrift van 14 juni 2025 dat de heffingsambtenaar niet duidelijk heeft gemaakt of kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, is daartoe onvoldoende.
22. Eiseres betoogt daarnaast dat uit de overgelegde kostenraming en de toelichting daarop niet blijkt hoe de kosten zich verhouden tot de in artikel 2 van het Besluit genoemde kostencomponenten. De rechtbank kan eiseres daar in zoverre in volgen dat in de raming niet staat genoemd onder welke kostencomponent een kostenpost uit de raming valt. Dit betekent echter nog niet dat een bepaalde kostenpost niet onder een kostencomponent van artikel 2 van het Besluit valt. Eiseres heeft niet concreet benoemd welke kostenposten van de raming niet onder de kostencomponenten van het Besluit (kunnen) vallen. De rechtbank is ook anderszins niet gebleken dat de kosten uit het overzicht niet vallen onder de in het Besluit genoemde posten. Het betoog van eiseres baat haar daarom niet.
Conclusie
23. Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar de kosten van de naheffing in rekening mocht brengen zoals hij heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, voorzitter, mrs. R.J.P. Ferwerda en
J.D.M. Nouwen, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 24 oktober 2025
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage 1

Bijlage 2

Tarieventabel deel uitmakend van de Verordening parkeerbelastingen Vlaardingen 2022-1
Tarieventabel
1
Het reguliere tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedraagt:
1.1
In de parkeersector Centrum (CNW)
Per uur
€ 2,40
Dagtarief
€ 12,50
1.2
In de parkeersector Oostwijk (OW)
Per uur
€ 2,40
Dagtarief
€ 12,50
1.3
Stop & Shop-parkeerplaatsen
Per 30 minuten
€ 0,10
1.4
In beide sectoren, indien het een voertuig betreft dat wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte en een gehandicaptenparkeerkaart op zodanige wijze achter de voorruit wordt aangebracht dat zij van buiten duidelijk leesbaar is. Een gehandicaptenkaart is in ieder geval niet goed leesbaar indien de vervaldatum van buiten het voertuig niet behoorlijk leesbaar is. Daarnaast dient er gebruik te worden gemaakt van een parkeerschijf.
Per 3 uur
€ 0,00

Voetnoten

1.De heffingsambtenaar procedeert niet digitaal
2.Zie bijlage 2 bij deze uitspraak
3.Bijvoorbeeld ECLI:NL:RBROT:2025:2491.
7.Zie ook de genoemde uitspraken in vorige rechtsoverweging .
8.Zie r.o. 8.1 van ECLI:NL:RBROT:2025:2491.
9.Zie ook Hof Den Haag, 12 december 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2339.
10.De invorderingskosten zijn namelijk € 45.115,25. € 618.680,96 minus € 45.115,25 is € 573.565,71, gedeeld door 8.600 is € 66,69 per naheffingsaanslag.