Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De tarieventabel bij Verordening
7. Eiseres voert aan dat aan haar geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd, omdat zij geen parkeerbelasting was verschuldigd. Daartoe voert zij aan dat de tarieventabel die bij de Verordening hoort onverbindend moet worden verklaard, omdat deze in strijd is met het achtste lid van artikel 225 van de Gemeentewet.
8. In het achtste lid van artikel 225 van de Gemeentewet staat: “Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen kan afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten.”
9. Onder 1.4 in de tarieventabel bij de Verordeningstaat: “Het reguliere tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur (…) bedraagt per 3 uur € 0,00 (..) indien het een voertuig betreft dat wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte en een gehandicaptenparkeerkaart op zodanige wijze achter de voorruit wordt aangebracht dat zij van buiten duidelijk leesbaar is.”
10. Naar het oordeel van de rechtbank kan het betoog van eiseres niet slagen. Tussen partijen is niet in geschil dat het onder 1.4 in de tarieventabel genoemde tarief niet van toepassing was op de parkeeractie van eiseres. Als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat het bedoelde tarief in strijd zou zijn met de Gemeentewet, dan zou dat er slechts toe kunnen leiden dat het onder 1.4 in de tarieventabel vermelde tarief onverbindend zou worden geacht. Voor het volledig onverbindend achten van de tarieventabel of de Verordening zou in dat geval geen aanleiding bestaan. Nu het onder 1.4 in de tarieventabel vermelde tarief niet van toepassing is in deze zaak, kan het betoog van eiseres niet leiden tot de conclusie dat de naheffingsaanslag in dit geval ten onrechte is opgelegd. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan een beoordeling van de vraag of het onder 1.4 in de tarieventabel vermelde tarief in strijd is met de Gemeentewet. Eiseres heeft daarbij immers geen enkel belang.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet.
12. Eiseres voert verder aan dat de gemeente Vlaardingen de kosten voor het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting voor het jaar 2022 te hoog heeft vastgesteld in de Verordening. Eiseres heeft op beide zittingen nader uiteengezet dat volgens haar enkel de kosten die direct verbonden zijn met het opleggen van de naheffingsaanslag mogen worden verhaald. Daarnaast mag geen rekening worden gehouden met oninbare vorderingen.
13. In artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting kosten in rekening worden gebracht. Die kosten zijn onderdeel van de naheffingsaanslag. Het bedrag ervan dient op grond van artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet in de gemeentelijke belastingverordening te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
14. De bedoelde algemene maatregel van bestuur, waarin regels worden gesteld over het kostenverhaal, is het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit). In artikel 2, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat het bij kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting gaat om kosten die ten hoogste kunnen bestaan uit een aantal onder a tot en met f specifiek genoemde kostencomponenten voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Het gaat om geraamde kosten.
15. Zoals de rechtbank in haar uitspraken van 20 februari 2025 heeft overwogen moet het criterium “samenhangen met” van artikel 2, eerste lid, van het Besluit zo worden uitgelegd dat kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, geheel in aanmerking komen als kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting.Steun voor deze opvatting vindt de rechtbank in de conclusies van AG Pauwels van 25 oktober 2024, en de uitspraken van hof Den Haag van 9 januari 2025, en hof Amsterdam van 21 mei 2024.
16. De rechtbank past bij de toetsing of bepaalde kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen de jurisprudentie over de toetsing van de opbrengstlimiet naar analogie toe.Daarbij geldt, net als bij de toetsing aan de opbrengstlimiet, dat in de raming van de kosten geen kosten mee mogen worden genomen die de gemeente al anderszins verhaalt of kosten die hooguit zijdelings samenhangen met de inning van parkeerbelasting.
Het kostenverhaal van de gemeente Vlaardingen
17. De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2022 een kostenoverzicht in geding gebracht. Dit overzicht is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.
18. Eiseres voert ten aanzien van dit overzicht aan dat het aantal naheffingsaanslagen per jaar onjuist is begroot.
In reactie hierop heeft de heffingsambtenaar uiteengezet dat de genoemde 15.000 uur aan handhaving per jaar bestaan uit 10.000 uur voor het opleggen van naheffingsaanslagen en 5.000 uur voor overige toezicht en handhaving. Uitgaande van 0,86 invorderbare naheffing per uur is een schatting gemaakt van 8.600 naheffingsaanslagen per jaar. De heffingsambtenaar heeft deze aantallen onderbouwd met de gegevens over het aantal naheffingsaanslagen in de jaren 2017 tot en met 2022.
Anders dan eiseres betoogt, mag de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de kosten van de naheffingsaanslag rekening houden met oninbare naheffingen en uitgaan van een raming van het aantal inbare naheffingsaanslagen.De heffingsambtenaar heeft vervolgens met de door hem overgelegde overzichten en de toelichting daarop het aantal (inbare) naheffingsaanslagen van 8600 per jaar voldoende onderbouwd.
19. Eiseres voert verder aan dat de kosten van bezwaar- en beroepszaken ten onrechte zijn meegenomen in de raming. De rechtbank kan haar daarin niet volgen. Bezwaar- en beroepszaken zijn een direct gevolg van naheffingsaanslagen parkeerbelasting en moeten worden gevoerd om die aanslagen in stand te houden. Daarom hangen de daarvoor door de gemeente gemaakte kosten meer dan zijdelings samen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting.
20. Daarnaast voert eiseres aan dat de invorderingskosten (mogelijk) verhaalbaar zijn op grond van de Kostenwet en daarom niet kunnen worden betrokken in de kostenraming. De rechtbank kan eiseres hierin volgen. In de door de heffingsambtenaar overgelegde kostenraming is niet duidelijk of en voor welk bedrag de invorderingskosten op grond van de Kostenwet worden verhaald. De kosten per naheffingsaanslag bedragen echter meer dan het wettelijke maximum van € 66,50, ook als geen rekening zou worden gehouden met de totale invorderingskosten van € 45.115,25.De conclusie blijft onverminderd dat de heffingsambtenaar terecht € 66,50 naheffingskosten in rekening heeft gebracht.
21. De overige kostenposten heeft eiseres onvoldoende concreet bestreden. De algemene stelling in haar nadere beroepschrift van 14 juni 2025 dat de heffingsambtenaar niet duidelijk heeft gemaakt of kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, is daartoe onvoldoende.
22. Eiseres betoogt daarnaast dat uit de overgelegde kostenraming en de toelichting daarop niet blijkt hoe de kosten zich verhouden tot de in artikel 2 van het Besluit genoemde kostencomponenten. De rechtbank kan eiseres daar in zoverre in volgen dat in de raming niet staat genoemd onder welke kostencomponent een kostenpost uit de raming valt. Dit betekent echter nog niet dat een bepaalde kostenpost niet onder een kostencomponent van artikel 2 van het Besluit valt. Eiseres heeft niet concreet benoemd welke kostenposten van de raming niet onder de kostencomponenten van het Besluit (kunnen) vallen. De rechtbank is ook anderszins niet gebleken dat de kosten uit het overzicht niet vallen onder de in het Besluit genoemde posten. Het betoog van eiseres baat haar daarom niet.
23. Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar de kosten van de naheffing in rekening mocht brengen zoals hij heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.