Eiseres, exploitant van een Chinees restaurant, kreeg boetes van respectievelijk €40.000,- voor vier overtredingen van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) en €11.250,- voor een overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (Atw). Deze boetes werden opgelegd omdat eiseres geen adequate urenregistratie kon overleggen van haar werknemers, waardoor naleving van de wet niet kon worden gecontroleerd.
Eiseres voerde beroep aan tegen de hoogte van de boetes en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat een vast werkrooster bestond en dat de boetes niet evenredig waren. De rechtbank oordeelde dat eiseres niet voldeed aan de wettelijke verplichting tot urenregistratie en dat de minister terecht de overtredingen had vastgesteld. Wel werd geoordeeld dat de boetes te hoog waren en dat eiseres als kleinbedrijf moest worden aangemerkt, wat lagere boetes rechtvaardigt.
De rechtbank stelde de boete voor de Wml-overtredingen vast op €22.500,- en voor de Atw-overtreding op €7.500,-, waarbij werd meegewogen dat beide overtredingen nauw samenhangen en dat een enkele goede administratie beide overtredingen had kunnen voorkomen. De rechtbank vernietigde de oorspronkelijke besluiten voor zover de boetes te hoog waren vastgesteld en bepaalde dat de minister het griffierecht en proceskosten aan eiseres moet vergoeden.