Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 9 mei 2022, met bijlagen;
- de incidentele conclusie van [persoon A] , houdende een vordering ex artikel 210 Rv Pro;
- de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 210 Rv Pro;
- het vonnis in incident van 7 oktober 2022;
- de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met bijlagen;
- de dagvaarding van 21 november 2022;
- de conclusie van antwoord.
2.De feiten
3.Het geschil in de hoofdzaak
- [persoon A] te veroordelen aan haar te betalen € 7.197,22, te vermeerderen met wettelijke rente over € 2.467,32 vanaf 22 oktober 2018 en over € 4.729,90 vanaf 4 april 2019 tot de dag van volledige betaling;
- [persoon A] te veroordelen aan haar te betalen € 921,37 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
- [persoon A] te veroordelen in de proceskosten met rente;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
- NN te bevelen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis alle op [persoon A] betrekking hebbende registraties in de gebeurtenissenadministratie, het intern verwijzingsregister van NN, Extern verwijzingsregister en incidentenregister te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat NN daarmee in gebreke blijft;
- NN te veroordelen in de proceskosten met rente;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.Het geschil in de vrijwaringszaak
- [persoon B] te veroordelen om aan [persoon A] te betalen datgene, waartoe [persoon A] als gedaagde in de hoofdzaak jegens NN mocht worden veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling;
- [persoon B] te veroordelen in de proceskosten, met wettelijke rente;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.