8.1.De rechtbank is in navolging van het StAB-advies van oordeel dat in het bezonningsonderzoek van Peutz de situatie is beoordeeld conform de bepalingen uit de Hoogbouwvisie 2011 en de regels voor bezonning van woningen in de binnenstad van september 2013. In de Hoogbouwvisie wordt als maatgevende periode 21 maart tot en met 21 september gehanteerd. Voor de notitie van september 2013 wordt gekeken naar de situatie op 19 februari.
Met name uit de in bijlage 2 van het rapport van Peutz uit 2015 opgenomen afbeeldingen is de schaduwwerking gedurende de dag en het jaar goed te zien. Daaruit volgt dat alle appartementen van aanvragers (met uitzondering van de Houtlaan) in meer of mindere
mate hinder ondervinden door meer schaduwwerking als gevolg van de drie torens.
Alleen de drie torens zijn van belang voor de beoordeling van de mogelijke schaduwhinder,
omdat het lagere deel van de bebouwing immers voorheen reeds mogelijk was. Door hun
hoogte en bouwvolume en de relatief korte afstand tot de omliggende bebouwing zullen
de torens dus zorgen voor een afname van bezonning en een toename van beschaduwing voor de bebouwing ten noorden en noordwesten (Gedempte Zalmhaven en
Scheepstimmermanslaan) en ten (zuid)oosten (Willemsplein). Dat is zoals gezegd niet het
geval voor bebouwing ten zuiden van de torens (Houtlaan). De mate van schaduwhinder
verschilt vanzelfsprekend gedurende het jaar, vanwege de stand van de zon.
Dat [bedrijf02] , de deskundige van [C.V. en B.V.01] , stelt dat de schaduwschade zodanig beperkt is dat er nog in voldoende mate bezonning overblijft, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat er geen sprake is van een toename aan schaduwhinder, en wel zodanig dat een koper (in meer of mindere mate) rekening zal houden met een negatievere situatie dan voorheen vanwege de hoge woontorens in de directe omgeving. De vraag of er in voldoende mate bezonning over blijft past bovendien niet bij een planschadebeoordeling, omdat beoordeeld dient te worden of sprake is van een nadeliger situatie. Ter plaatse was voorheen geen toren van 150 m mogelijk. Dat de mate van schadeveroorzakende schaduwhinder per appartement verschilt komt uiteindelijk tot uitdrukking in de taxatie. De stelling van [C.V. en B.V.01] slaagt daarom niet.
Voorzienbaarheid (actieve risicoaanvaarding)
9. [C.V. en B.V.01] stelt zich op het standpunt dat het project op grond van het Binnenstadsplan voor [eisers01] voorzienbaar was en dat de schade, voor zover daarvan sprake zou zijn, ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geheel voor hun rekening dient te blijven. Het Binnenstadsplan is volgens [C.V. en B.V.01] een beleidskader van en voor de gemeente Rotterdam met als doel “een ruimtelijk, functioneel kader te scheppen op basis waarvan toekomstige plannen kunnen worden beoordeeld, c.q. randvoorwaarden te geven voor verdere ontwikkelingen”.
Het Binnenstadsplan bepaalt in dat kader onder andere het volgende:
“Zowel om stedebouwkundige redenen als om reden van gewenste programmatische sturing is in de Binnenstad en op de Kop van Zuid een zone aangewezen waar min of meer extreme hoogbouw (boven de 100 meter) is toegestaan. [...]. Een ander deel van deze hoogbouwzone, namelijk de Schiedamsedijk, Boompjes en Zalmhaven e.o. is primair bestemd voor woningbouw.”
De formulering “ Zalmhaven e.o.” duidt er volgens [C.V. en B.V.01] op dat een ruim, niet exact begrensd gebied wordt bedoeld in de nabijheid van de inmiddels gedempte Zalmhaven .
Kortom: uit deze tekst had een redelijk denkend en handelend koper kunnen afleiden dat de mogelijkheid bestond dat op en rondom de Zalmhaven superhoogbouw (meer dan 100 m) zou kunnen komen. Het project wordt gerealiseerd op en naast de voormalige Zalmhaven . De voornoemde geciteerde tekst heeft dus te gelden als concreet beleidsvoornemen in de zin van voorzienbaarheid van het project, ook al stonden
destijds de kans op realisatie en de omvang en details van het project nog niet vast.
Dit geldt te meer nu het doel van de nota is om een raamwerk te bieden op basis waarvan specifieke(re) plannen gedetailleerd(er) kunnen worden uitgewerkt.
Daarnaast wordt nergens in het Binnenstadsplan duidelijk gemaakt dat de hoogbouwlocaties uit de tekst één op één zijn ingekleurd op het betreffende kaartje. Er wordt namelijk geen koppeling gemaakt tussen de tekst en het kaartje. Nu een koppeling tussen de tekst en de kaart ontbreekt, geldt dat de tekst leidend is. De kaart is slechts bedoeld als indicatieve aanduiding voor een groter gebied en leent zich door de schaal niet voor een precieze harde begrenzing.
9.1.. [C.V. en B.V.01] stelt zich verder op het standpunt dat ook het meerjarenprogramma voor de jaren 1993-1996 een concreet beleidsvoornemen bevat. " Zalmhaven ” is namelijk opgenomen in zowel een lijst met "zekere projecten” als in een lijst met "studieprojecten”. De laatste lijst is bedoeld om de woningproductie op lange termijn zeker te stellen. Hieruit kan worden opgemaakt dat destijds plannen bestonden om een of zelfs meerdere woningbouwprojecten op en/of rondom de gedempte Zalmhaven te realiseren.
De redenering in het Aanvullend Rapport 2 (p. 10) van JvO, dat een beschrijving naar een concrete locatie ontbreekt en daarom geen concreet beleidsvoornemen uit de projectenlijst valt af te leiden, is volgens [C.V. en B.V.01] niet goed te begrijpen. Immers, uit de toelichting en beschrijving van het gehele Binnenstadsplan blijkt dat het niet ging om specifieke afgebakende locaties en/of gebieden en dat details van ontwikkelingen in nadere plannen konden worden uitgewerkt. Bovendien is niet vereist dat de omvang en/of details van de planologische ontwikkeling vaststaan. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat het niet van belang is of alle locaties zijn aangeduid op de (plan)kaart (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2143). Dit maakt dat de opname van Zalmhaven in de projectenlijst een concreet beleidsvoornemen is, waaruit een potentiële koper had kunnen afleiden dat in het plangebied van het project superhoogbouw verwezenlijkt zou kunnen worden.