Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
3..Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het primair laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 120.000,-.
4..Geldigheid dagvaarding
5..Ontvankelijkheid officier van justitie
optimumremedium, dus naast andere (rechts)middelen (NB: dus niet als ultimum remedium, zoals is betoogd door de verdediging). Het Handhavingsprotocol, noch een andere rechtsregel dwong de officier van justitie (of de Ksa) verder om eerst een waarschuwing aan de verdachte rechtspersoon te geven of om bestuursrechtelijk te handhaven. Het feit dat de verdachte rechtspersoon al enige tijd contact had met de Ksa of dat bestuursrechtelijke handhaving mogelijk minder verstrekkende consequenties voor de verdachte rechtspersoon met zich zou meebrengen, doet daar niet aan af. Bovendien is in deze zaak gedurende het onderzoek het vermoeden ontstaan dat de verdachte rechtspersoon en haar medeverdachten zich niet alleen schuldig maakten aan overtreding van de Wok maar ook aan andere strafbare feiten, te weten witwassen en valsheid in geschrift, zodat ook gelet op de artikelen 3 en 4 van het Handhavingsprotocol het openbaar ministerie uitdrukkelijk tot strafrechtelijke vervolging over kon gaan. Dat aan de verdachte rechtspersoon uiteindelijk laatstgenoemde strafbare feiten niet zijn tenlastegelegd doet daar niet aan af.
6..Waardering van het bewijs
Standpunt officier van justitie
Beoordeling
eenbetaalmogelijkheid voor de website [website01] . Binnen die context is er ook sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [medeverdachte02] , [medeverdachte01] en [bedrijf04] en [bedrijf06] . Vanuit [bedrijf05] is de door [medeverdachte02] en [medeverdachte01] ontwikkelde API ter beschikking gesteld aan [bedrijf06] , er zijn afspraken gemaakt over uitbetaling, verdeling van de gokwinsten en het voeren van de administratie. Niet kan echter worden vastgesteld dat die samenwerking ook betrekking had op het kansspel aanbod op de website [website01] . Niet gebleken is dat [medeverdachte02] en [medeverdachte01] enige zeggenschap hadden over het aanbod of de inrichting van de kansspelen zoals die op de website van [bedrijf04] werden aangeboden. De verdachte rechtspersoon is dan ook niet aan te merken als medepleger van het geven van gelegenheid aan het deelnemen aan een kansspel.
Conclusie
Standpunt verdediging
Beoordeling
6.1.1heeft overwogen. De door [medeverdachte02] en [medeverdachte01] ontplooide activiteiten met betrekking tot Cash Centers , zijn door hen ondergebracht in verschillende rechtspersonen, waaronder de verdachte rechtspersoon, waar assemblage van de Cash Centers plaatsvond. De bouw van de Cash Center is een onmisbare schakel binnen het geheel en dusdanig nauw verweven met de overige door [medeverdachte02] en [medeverdachte01] ontplooide activiteiten, dat de activiteiten van de verdachte rechtspersoon niet afzonderlijk dienen te worden beschouwd.
Conclusie
7..Strafbaarheid feit
8..Strafbaarheid verdachte rechtspersoon
6.2.7.De verwijzing naar het wetgevingstraject, wat daar verder ook van zij, en de vergelijking met andere betaaldienstverleners waaronder Curo, gaan reeds om die reden niet op. Daar komt bij dat de Curo-uitspraak door de RvS dateert van december 2017 en dus nog niet was gedaan toen [medeverdachte02] en [medeverdachte01] eind 2016 begonnen met de exploitatie van de Cash Centers . Op dat moment gold nota bene nog de uitspraak van de rechtbank, waarin was geoordeeld dat Curo als betaaldienstverlener
welde Wok had overtreden. [6]