Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
3..Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 50.000,--, subsidiair 285 dagen vervangende hechtenis;
- opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak.
4..Vooraf
5..PGPSafe
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
belangdat het voorschrift dient, de
ernstvan het verzuim en het
nadeeldat daardoor wordt veroorzaakt.
belangvan het geschonden voorschrift is groot. Het betreft het ontbreken van een voorafgaande rechterlijk toets, die is ingegeven door de ernst van de inbreuk die wordt gemaakt door toepassing van het dwangmiddel. Door het ontbreken van de rechterlijk toets, heeft geen voorafgaande
rechterlijkebeoordeling van de rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit
in Nederland(voorafgaand aan het indienen van het rechtshulpverzoek) plaatsgevonden. Echter, in casu is die beoordeling wel gemaakt door de rechter in Costa Rica zoals blijkt uit het bevel van 8 mei 2017, waarbij de rechter zowel aan nationaal (grond)wettelijke bepalingen als aan internationaal recht (IVBPR en de Universele verklaring) heeft getoetst . Dit relativeert de ernst van het ontbreken van de voorafgaande rechterlijke toets in Nederland.
ernst van het verzuimis van belang dat niet gebleken is van een bewust onjuist handelen van de officier van justitie. Eerst in september 2021 is door de rechtbank uiteen gezet dat en waarom het begrip ‘aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of (…) openbare telecommunicatiedienst’ in artikel 125la Sv uitgelegd moet worden aan de hand van het begrip ‘aanbieder van een communicatiedienst’ als bedoeld in artikel 126la Sv(oud) thans 138g Sv. De rechtbank is bovendien van oordeel dat, zo de officier van justitie om een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris zou hebben gevraagd, hij deze naar alle waarschijnlijkheid gekregen zou hebben, gezien de ernst van de verdenking en hetgeen uit tal van strafrechtelijke onderzoeken reeds bekend was over PGPSafe, namelijk dat deze aanbieder (wellicht niet alleen maar wel) bij uitstek werd gebruikt om communicatie over ernstige strafbare feiten geheim te kunnen houden, zoals ook uitvoerig uiteen is gezet in het rechtshulpverzoek. De rechtbank is het dan ook niet eens met de verdediging waar deze stelt dat ‘geen redelijk denkend rechter-commissaris een dergelijke machtiging zou hebben afgegeven’.
nadeeldat door het vormverzuim zou zijn geleden, mag volgens vaste jurisprudentie niet gelegen zijn in de ontdekking van een strafbaar feit. In het onderhavige geval kan als nadeel dan in algemene zin worden genoemd: een inbreuk op de privacy (al stellen de verdachten geen van allen dat zij inderdaad degenen zijn die aan de in beslag genomen communicatie hebben deelgenomen). Ook dit nadeel dient te worden gerelativeerd. Voor zover de rechtbank daar zicht op heeft gekregen, heeft deze communicatie voor het overgrote deel betrekking op strafbaar handelen. Gesprekken die de persoonlijke levens van de gespreksdeelnemers betreffen, zijn in dit dossier zeldzaam en zeer beperkt. Zeker kan niet worden gesteld dat met het kennisnemen van deze communicatie een min of meer compleet beeld van iemands persoonlijke leven wordt verkregen. De inbreuk kan daardoor als relatief gering worden bestempeld.
Zo al sprake zou zijn van een foutieve vertaling in een belastend bericht mag van de verdediging ook verwacht worden dat dit bij de inhoudelijk behandeling daarvan geconcretiseerd wordt, anders dan dat een kantoorgenoot, die de desbetreffende vreemde taal eigen is, dit bemerkt heeft, zodat die vertaling alsnog gecontroleerd kan worden. Nu die situatie zich verder niet heeft voorgedaan, laat staan dat gesproken kan worden van een zodanige frequentie dat aan de kwaliteit van de vertaling getwijfeld moet worden, kan ook dit verweer niet slagen.
Hierbij neemt de rechtbank mee dat de gesprekken in het dossier staan uitgeschreven, de eigen lijnen en die van de medeverdachten digitaal aan de verdediging ter beschikking zijn gesteld en gelegenheid geboden is om met behulp van de Hansken software van het NFI die dataset te bevragen. Slechts twee raadslieden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben hun vragen ten aanzien van die data ook onmiddellijk kunnen voorleggen en beantwoord gezien.
6..Identificatie
- De gebruiker meldt in een bericht van 30 mei 2016 dat hij de volgende dag naar het gerechtshof moet als getuige in de zaak van 2012;
- De gebruiker ontvangt op 30 mei 2016 een bericht waarin wordt gezegd
- een bericht van 31 mei 2016 van olijfje@pgpsafe.net waarin wordt gezegd dat [naam 3] zo moet worden opgehaald.
7.Zaaksdossier Scan (feit 1)
“Oke maat, komt in orde”. De verdachte zegt ook dat hij tegen [naam 4] heeft gezegd die PGP niet aan te zetten in huis of in ons dorp. Anders rijdt hij wel ff snel naar hem toe. Dan zegt [naam medeverdachte 3] dat hij alles aan de verdachte door geeft en hij moet het met hem regelen. Vervolgens volgt een bericht dat als volgt luidt:
“ [naam 5] van [naam 6] ?”, hetgeen [naam medeverdachte 3] bevestigt. Vervolgens stuurt [naam medeverdachte 3] het volgende bericht aan de verdachte:
Oke ik ga hem zo ophalen in slaaphuis droppen alles doornemen met hem. Komt goed.”
We gaan gewoon door maat. Is nu al 10.000 naar de kkr pffff. Staat 4 klaar en 5 klaar… we gaan zien”.De verdachte is er ziek van.
31 mei 2016 even niet beschikbaar is, zorgt hij dat een ander [naam 4] kan opvangen en geeft dit ook zo door aan [naam medeverdachte 3] . [naam medeverdachte 3] geeft desgevraagd aan de verdachte door dat de bus weg kan omdat de bak dood is, waarop direct wordt aangegeven dat “we” gewoon door zullen gaan.
we gaan 100% werken. Als ze ongeduldig worden ga naar die man en geef hem maar een paar ton. We mogen die streep niet kwijtraken.” Ook zijn er berichten waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte mogelijk verdovende middelen van [naam medeverdachte 3] in opslag had. Op 30 mei 2016 wil [naam medeverdachte 3] bijvoorbeeld van de verdachte weten wat er op de car staat, wat voor stempel, hij heeft er een klant voor. De verdachte antwoordt daarop: “
Stempel F1 maat”. Later wilde de verdachte ook weten voor hoeveel hij ze kan aanbieden, waarop [naam medeverdachte 3] 22750 door geeft. Deze berichten lijken niet te slaan op het onderhavige transport, maar laten wel zien dat de verdachte en [naam medeverdachte 3] samenwerkten.
8..Zaaksdossier Andijvie (feit 2)
9..Bewezenverklaring
10..Strafbaarheid feiten
1. medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
11..Strafbaarheid verdachte
12..Motivering straffen
13..In beslag genomen voorwerpen
14..Voorlopige hechtenis
15..Toepasselijke wettelijke voorschriften
16..Bijlagen
17..Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;