ECLI:NL:RBROT:2020:2124

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 maart 2020
Publicatiedatum
10 maart 2020
Zaaknummer
ROT 19/3015
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar tegen opschortingsbesluit aanvullende inkomensvoorziening ouderen

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen een opschortingsbesluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarbij hun recht op de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) werd opgeschort. De Svb verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het intrekkingsbesluit dat hierop volgde onherroepelijk was geworden.

Eisers voerden aan dat het intrekkingsbesluit niet bekend was gemaakt en dus niet in werking was getreden, waardoor zij nog procesbelang hadden bij het bezwaar tegen het opschortingsbesluit. Daarnaast stelden zij dat de Svb in strijd met het fair play-beginsel handelde door het intrekkingsbesluit niet tijdens de bezwaarprocedure te bespreken.

De rechtbank oordeelde dat uit een brief van de gemachtigde van eisers bleek dat het intrekkingsbesluit wel was ontvangen. Hierdoor was het niet nodig dat de Svb de verzending aannemelijk maakte. Ook was er geen verplichting voor de Svb om het intrekkingsbesluit tijdens de hoorzitting te bespreken. Het bezwaar richtte zich niet mede tegen het intrekkingsbesluit, dat onherroepelijk was geworden, waardoor het bezwaar tegen het opschortingsbesluit niet-ontvankelijk was.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het opschortingsbesluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/3015
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2020 in de zaak tussen

[Naam] , eiser, en [Eiseres] , eiseres, beiden te [Plaats] ,

tezamen: eisers,
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2018 (het opschortingsbesluit), waarbij het recht op de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) van eisers met ingang van 26 november 2018 is opgeschort, niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.W.E. Ros. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin.

Overwegingen

1. De Svb heeft het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang eisers daarbij, omdat het intrekkingsbesluit inmiddels onherroepelijk is geworden. Daarbij is overwogen dat het bezwaarschrift – anders dan de gemachtigde van eisers in haar brief van 17 april 2019 heeft gesteld – niet mede is gericht tegen het intrekkingsbesluit.
2. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het intrekkingsbesluit van 4 januari 2019 niet is bekendgemaakt, zodat het niet in werking is getreden en dus ook niet onherroepelijk is geworden. Gelet hierop menen eisers dat zij procesbelang hebben gehouden hun bezwaar tegen het opschortingsbesluit en het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Subsidiair stellen eisers zich op het standpunt dat de Svb handelt in strijd met het fair play beginsel. De Svb heeft namelijk tijdens de hoorzitting in bezwaar op 11 januari 2019 niet gerept over het intrekkingsbesluit, terwijl toen nog de termijn liep om bezwaar daartegen te maken.
3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
4. In geval van toezending van een besluit dient naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep voor de vaststelling dat het besluit in werking is getreden, zowel de verzending als de aanbieding van de zending aan het juiste adres vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Contra-indicaties kunnen volgens die rechtspraak meebrengen dat moet worden geoordeeld dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden (ECLI:NL:CRVB:2016:1501; ECLI:NL:CRVB:2017:3004 en ECLI:NL:CRVB:2018:3155).
5. De Svb heeft de gemachtigde van eisers bij brief van 5 april 2009 onder verwijzing naar het bezwaarschrift van 10 januari 2019 verzocht mee te delen of de Svb deze mede gericht moeten achten tegen de eindigingsbeslissing (lees: het intrekkingsbesluit). Bij brief van 17 april 2019 heeft de gemachtigde van eisers de Svb bericht dat – zoals uit het bezwaarschrift blijkt – het bezwaarschrift tevens geacht te moeten zijn gericht tegen de eindigingsbeslissing (lees: het intrekkingsbesluit). Volgens verweerder blijkt hieruit dat eisers het intrekkingsbesluit hebben ontvangen.
6. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de brief van de gemachtigde van eisers van 17 april 2019 een handeling is waaruit volgt dat eisers het intrekkingsbesluit wel moeten hebben ontvangen. Gelet hierop is het niet nodig dat verweerder de verzending van dat besluit aan eiseres en de aanbieding van de zending aan het juiste adres aannemelijk maakt. Op verweerder lag – anders dan eisers stellen – niet enige verplichting, ook niet uit een oogpunt van fair play, om het intrekkingsbesluit tijdens de hoorzitting in bezwaar aan de orde te stellen (vgl. ECLI:NL:CRVB:2019:2214). Gelet op de omstandigheid dat eisers het intrekkingsbesluit blijkbaar hebben ontvangen, komt het voor hun rekening en risico dat zij uitsluitend bezwaar hebben gemaakt tegen het opschortingsbesluit.
7. Omdat de rechtbank met verweerder van oordeel is dat het bezwaarschrift zich niet mede richt tot het intrekkingsbesluit, is dit besluit onherroepelijk geworden. Met het onherroepelijk geworden intrekkingsbesluit, dat voortborduurt op het opschortingsbesluit, heeft het opschortingsbesluit zijn werking verloren. Gelet hierop heeft verweerder terecht geoordeeld dat het procesbelang aan het bezwaar daartegen is komen te ontvallen (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1813).
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 maart 2020.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.