Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
- het exploot van dagvaarding van 9 november 2017 met producties;
- de incidentele conclusie van antwoord houdende exceptie van absolute onbevoegdheid tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak;
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident;
- het vonnis in incident van 21 maart 2018 van de rechtbank Rotterdam, team handel en haven;
- het tussenvonnis van 30 maart 2018, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- de aanvullende producties van SPC, ingekomen ter griffie op 22 juni 2018;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigden van SPC, overgelegd tijdens de comparitie van partijen op 2 juli 2018;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van FrieslandCampina c.s., overgelegd tijdens de comparitie van partijen op 2 juli 2018;
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 2 juli 2018;
- de conclusie van repliek met producties,
- de conclusie van dupliek.
2.De vaststaande feiten
3.De vordering
4.Het verweer
5.De beoordeling
“Het antwoord op de vraag of de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van een uitvoeringsovereenkomst als de onderhavige in de weg staan aan opzegging zonder betaling van een (schade)vergoeding, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij zal onder meer gewicht kunnen toekomen aan de aard van de betrokken belangen, aan de omstandigheid dat in artikel 25 lid 1 aanhef Pro en onder h PW voor andere pensioenuitvoerders dan een ondernemingspensioenfonds, het belang is onderkend dat is voorzien in voorwaarden die gelden bij de beëindiging van een uitvoeringsovereenkomst, aan eventuele maatregelen die aan het betrokken pensioenfonds zijn opgelegd (zoals de verplichting in verband met een herstelplan of de verplichting tot waardeoverdracht van hetgeen na opzegging resteert, en aan de omstandigheid dat de uitvoeringsovereenkomst betrekking heeft op (opgebouwde) pensioenaanspraken van (gewezen) werknemers tegenover wie de (voormalig) werkgever op grond van de (voormalige) arbeidsverhouding een zekere verantwoordelijkheid heeft (behouden).”
: “Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van artikel 6:248 lid 1 BW Pro meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. (…) Een beroep op een uit de wet of overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.”