ECLI:NL:RBROT:2017:2941
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg en gevolgen vaststellingsovereenkomst inzake executoriale verkoop onroerend goed
Rabobank had aan een vennootschap, gecontroleerd door [gedaagde 1], leningen verstrekt en vorderde betaling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als borgstellers. Partijen sloten een uitgebreide vaststellingsovereenkomst waarin de vordering werd beperkt tot €1,1 miljoen, waarvan €600.000 was betaald en €500.000 nog openstond. De overeenkomst bevatte geen expliciete termijn voor betaling of verkoop van het onroerend goed dat als zekerheid diende.
Rabobank wilde executoriale verkoop van het onroerend goed afdwingen wegens niet-betaling van het resterende bedrag, maar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] maakten bezwaar. De rechtbank onderzocht de uitleg van de vaststellingsovereenkomst, waarbij zij de taalkundige betekenis en de redelijkheid en billijkheid in acht nam. De overeenkomst verplichtte tot een spoedige verkoop, maar zonder termijn, en Rabobank had bewust afgezien van een termijn om de overeenkomst te laten slagen.
De rechtbank oordeelde dat de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de verkoop binnen zeven jaar na het sluiten van de overeenkomst moet plaatsvinden. Indien dit niet gebeurt, mag Rabobank tot executoriale verkoop overgaan. De primaire vordering van Rabobank werd afgewezen, maar de subsidiaire vordering toegewezen. De vordering van [gedaagde 2] werd afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Rabobank mag pas na zeven jaar na de vaststellingsovereenkomst executoriale verkoop van het onroerend goed inzetten indien het resterende bedrag niet is voldaan.