ECLI:NL:RBROT:2016:5091
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betalingsvordering en uitleg artikel 4.19 Cargadoorsvoorwaarden in zeevervoer
In deze civiele zaak vordert Maersk Lines A/S betaling van een openstaand bedrag van Ship-Road Rotterdam B.V. (SR) wegens niet tijdige betaling van facturen voor logistieke diensten. De kern van het geschil betreft de uitleg van artikel 4.19 van de Algemene Nederlandse Cargadoorsvoorwaarden en de vraag wie gerechtigd is tot de vordering.
De rechtbank stelt vast dat SR contractueel verbonden is met de oorspronkelijke eiseres en dat de vordering rechtsgeldig is overgedragen aan Maersk Lines A/S. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van SR dat alleen Maersk Line Netherlands B.V. gerechtigd zou zijn tot de vordering. Ook wordt geoordeeld dat de vordering niet verjaard is, omdat tijdige aanmaningen de verjaring hebben gestuit.
Wat betreft de buitengerechtelijke kosten oordeelt de rechtbank dat Maersk aanspraak kan maken op 15% vergoeding van de te laat betaalde facturen, mits zij daadwerkelijk incassowerkzaamheden heeft verricht. De rechtbank vindt dat dit in dit geval voldoende is aangetoond en wijst de gevorderde buitengerechtelijke kosten toe. De wettelijke handelsrente wordt toegekend vanaf 1 januari 2014. De overige gevorderde administratiekosten worden afgewezen.
Ten slotte wordt SR veroordeeld in de proceskosten, inclusief de kosten van het incident tot tussenkomst. Het vonnis is gewezen door rechter W.P. Sprenger en uitgesproken op 8 juli 2016.
Uitkomst: Ship-Road Rotterdam B.V. wordt veroordeeld tot betaling van € 9.075,12 buitengerechtelijke kosten plus wettelijke rente aan Maersk Lines A/S.