ECLI:NL:RBOVE:2026:6

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_1689
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 PWArt. 34 PWArt. 3:4 AwbArt. 18 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening bijstand in de vorm van geldlening wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Eiser vroeg bijstand aan nadat hij zijn woning onder de marktwaarde had verkocht en zijn onderneming had beëindigd vanwege verslavingsproblematiek. Het college van burgemeester en wethouders van Hengelo kende bijstand toe, maar stelde deze deels als geldlening vast op grond van artikel 48, tweede lid, onder b, van de Participatiewet, vanwege een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

Eiser voerde aan dat de woning niet vrij was verkocht, maar onder bezwaar van huur, en dat de WOZ-waarde niet representatief was vanwege vervuiling en achterstallig onderhoud. De rechtbank oordeelde dat het college terecht was uitgegaan van de WOZ-waarde als waarderingsgrondslag en dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de werkelijke marktwaarde lager was.

De rechtbank stelde vast dat eiser door de verkoop onder de marktwaarde een aanzienlijk vermogen had prijsgegeven, waardoor hij eerder dan noodzakelijk een beroep op bijstand moest doen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan.

De rechtbank concludeerde dat het college bevoegd was om de bijstand deels als geldlening te verstrekken en dat dit middel evenredig en noodzakelijk was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit om bijstand deels als geldlening te verlenen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1689

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. L. de Widt,
en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,

gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 5 februari 2025 heeft het college eiser met ingang van 25 september 2025 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij heeft het college bepaald dat de bijstand met toepassing van artikel 48, tweede lid, onder b, van de Participatiewet (PW) tot een bedrag van € 34.014,25 wordt verleend in de vorm van een geldlening.
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college het besluit van 5 februari 2025 herzien, in die zin dat tot een bedrag van maximaal € 24.890,83 bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening.
1.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2].

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1
Eiser heeft het college op 25 september 2024 verzocht hem een PW-uitkering toe te kennen. De aanvraag heeft vertraging opgelopen doordat eiser diverse malen niet is verschenen voor afspraken en gegevens niet heeft aangeleverd. De intake heeft op
4 november 2024 plaatsgevonden.
2.2
Bij de intake op 4 november 2024 heeft eiser verklaard dat hij geen inkomen meer heeft. Hij heeft zijn eigen onderneming op 25 september 2024 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hij heeft verklaard dat het niet meer ging door verslavingsproblematiek. Hij huurt een woning in Hengelo van (het bedrijf van) zijn (ex-)schoonouders. Eiser woont hier met één van zijn twee zoons. Deze zoon was ten tijde van de aanvraag meerderjarig.
De (ex-)schoonouders hebben de woning in de zomer van 2024 van eiser gekocht, omdat hij de kosten van de woning niet meer kon dragen. De (ex-)schoonouders verhuren de woning aan eiser, zodat hun kleinkind en eiser daar kunnen blijven wonen. Eiser heeft een huurachterstand. De voorzieningen van de woning zijn afgesloten, omdat eiser deze niet kan betalen.
2.3
Het college heeft eiser verzocht nadere gegevens te verstrekken. Eiser heeft onder meer de akte van verkoop en een akte van levering overgelegd. Daaruit blijkt dat eiser de woning op 3 juni 2024 heeft verkocht en geleverd aan het bedrijf van zijn (ex-)schoonouders voor
€ 175.000,-. Eiser heeft hiermee zijn hypotheek afgelost. Eiser heeft tevens gegevens met betrekking tot zijn eigen onderneming overgelegd. Na onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

3.1
Het college heeft besloten de bijstand tot een bedrag van € 24.890,83 in de vorm van een geldlening te verlenen. Dit kon het college doen op grond van artikel 48, tweede lid, onder b, van de PW. Daarbij stelt het college zich op het standpunt dat de noodzaak tot bijstandverlening aan eiser het gevolg is van een zogenoemd tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Eiser heeft zijn woning namelijk ver onder de marktwaarde bij vrije oplevering verkocht. Het college is daarbij uitgegaan van de WOZ-waarde van de woning op 1 januari 2024 van € 241.000,- en een opbrengst uit de verkoop van de woning van € 175.000,-. Het college heeft berekend dat eiser op de datum van zijn aanvraag nog zou hebben kunnen beschikken over een in aanmerking te nemen vermogen van € 37.524,46, indien hij zijn woning niet onder de marktwaarde bij vrije oplevering had verkocht. Daarbij heeft het college rekening gehouden met achtereenvolgens de afbetaling van de hypothecaire schuld, betalingen in verband met de verkoop van de woning (inhouding van driemaal huur en waarborg), bij de aanvraag aanwezige schulden en het vrij te laten vermogen. Als hij verantwoord op dat bedrag had ingeteerd, zou hij nog 18,5 maanden zonder bijstand in de kosten van zijn bestaan hebben kunnen voorzien. Daarbij is het college uitgegaan van een intering met 1,5 maal de geldende bijstandsnorm voor een alleenstaande per maand. Er is daardoor nu sprake van een benadeling van de gemeente van 18,5 maal de bijstandsnorm van € 1.345,45, derhalve een bedrag van in totaal € 24.890,83.
3.2
Eiser kan zich niet vinden in de vaststelling van de waarde van de woning op de WOZ-waarde op het moment van verkoop van € 241.000,-. Van daadwerkelijke vrije oplevering is geen sprake geweest. Er is sprake geweest van verkoop waarbij de verkoper, zijnde eiser met zijn zoon als huurder in de woning kon blijven wonen. Derhalve is er sprake van verkoop onder bezwaar van huur. Zoals bekend, drukt dat de verkoopprijs van een onroerend goed aanzienlijk. De woning was vervuild en er was sprake van grootschalige achterstand in het onderhoud van de woning. Ook dat drukt de prijs van de woning. Eiser kon de hypotheeklasten niet meer voldoen. Er was sprake van verschillende aankondigingen van een executoriale verkoop van de woning. Eiser had geen mogelijkheden om elders te gaan wonen. Eisers ex-schoonouders hebben zich opgeworpen als laatste redmiddel en hebben de woning gekocht, zodat eiser en zijn zoon in de woning konden blijven wonen. Eiser is van mening dat moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke verkoopprijs van € 175.000,- minus de hypothecaire schuld, de huur en waarborg, de aflossing van schulden van € 28.480,- en € 8.309,- en dat moet worden rekening gehouden met het bedrag dat krachtens de PW geldt als vrij te laten vermogen. Daarbij is eiser van mening dat hij moet worden aangemerkt als alleenstaande ouder.
De reden dat eiser niet meer in staat was om zijn huis behoorlijk te onderhouden en de hypotheeklasten tijdig te voldoen, was langdurige verslaving aan alcohol en drugs. Het college is in het bestreden besluit niet ingegaan op eisers persoonlijke omstandigheden. Door zijn omstandigheden realiseerde eiser zich niet dat de gemeente in beginsel uitgaat van de WOZ-waarde bij de vaststelling van de waarde van de woning of dat er anders een beëdigd taxateur moet worden aangezocht. Eiser heeft kort voor de zitting een overzicht en stukken in geding gebracht van schulden, die hij heeft afgelost uit de opbrengst van de woning.

Wettelijk kader

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het college de aan eiser toegekende bijstand terecht met toepassing van artikel 48, tweede lid, onder b, van de PW tot een bedrag van € 24.890,83 heeft verleend in de vorm van een geldlening. Zij doet dat aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
5.1
De bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Dat volgt uit artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW. [1]
5.2
Van een tekortschietend besef kan sprake zijn indien een eiser in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand de beschikking heeft of krijgt over in aanmerking te nemen vermogen en vervolgens op dat vermogen, tezamen met eventueel beschikbaar inkomen, te snel inteert, terwijl redelijkerwijs voorzienbaar is dat daardoor vervroegd een beroep op bijstand moet worden gedaan. Dit is vaste rechtspraak. [2]
5.3
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond. Dit betekent dat het college bevoegd was om de bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De waarde van de woning
5.4
Het college gaat op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de PW bij de vaststelling van de waarde van een eigen woning in beginsel uit van de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering. De rechtbank stelt vast dat het college in dit geval voor de vaststelling van de waarde van de woning aansluiting heeft gezocht bij de WOZ-waardebeschikking die in het kader van de Wet waardering onroerende zaken jaarlijks aan de eigenaar wordt uitgereikt. Het meest recent vóór de datum van verkoop was de WOZ-waarde van de woning op 1 januari 2024 vastgesteld op € 241.000. De rechtbank stelt vast dat het college dus niet is uitgegaan van de werkelijke marktwaarde van de woning bij vrije oplevering, maar van de WOZ-waarde, die doorgaans lager is dan de werkelijke marktwaarde van de woning.
5.5
De rechtbank is van oordeel dat het college heeft kunnen uitgaan van de WOZ-waarde van de woning, zoals hiervoor vermeld. Eiser heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat dit geen juist uitgangspunt is voor de vaststelling van de waarde van de woning. Eiser stelt dat de woning vervuild was en dat sprake was van achterstallig onderhoud. Hij heeft echter onvoldoende gegevens overgelegd om te kunnen vaststellen dat de daadwerkelijke waarde van de woning lager was dan de WOZ-waarde. De rekening voor het schoonmaken van de woning is dusdanig laag, dat kan worden aangenomen dat dit de waarde van de woning niet heeft beïnvloed. Daarbij is van belang dat, zoals de rechtbank hiervoor heeft opgemerkt, de WOZ-waarde van een woning doorgaans aanzienlijk lager is dan de daadwerkelijke marktwaarde van een woning bij vrije oplevering, zoals het college ook ter zitting heeft opgemerkt en eiser niet heeft bestreden. De rechtbank is verder van oordeel dat het college terecht is uitgegaan van de waarde van de woning in vrije staat en niet van de waarde in verhuurde staat. Dit volgt uit artikel 34 eerste Pro lid, onder a PW, waarin de wetgever heeft bepaald dat de waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering en volgt ook uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [3] . Er is geen reden om daar in dit geval van af te wijken. Bij de verkoop van de woning was eiser immers vrij eigenaar en verkeerde de woning niet in verhuurde staat. Eiser was niet verplicht om de woning in verhuurde staat te verkopen. Hij heeft pas bij de verkoop van de woning aan zijn (ex-)schoonouders afgesproken om de woning van hen te huren.
5.6
Het college heeft de waarde van de woning daarom terecht vastgesteld op de WOZ-waarde van € 241.000,-. Vastgesteld moet worden dat eiser de woning heeft verkocht voor een aanzienlijk lager bedrag dan de WOZ-waarde, namelijk voor € 175.000,-. Door in te stemmen met deze koopsom heeft eiser de woning ver onder de marktprijs verkocht. Bij een verkoop van de woning tegen een reële marktprijs had eiser met ingang van 25 september 2025 nog geruime tijd over voldoende middelen kunnen beschikken om in zijn levensonderhoud te voorzien en had hij toen (nog) geen beroep op de bijstand hoeven doen.
Eiser had ten tijde van de verkoop van de woning geen inkomen meer. Hij heeft daarom kunnen voorzien dat hij bij verkoop van de woning onder de marktprijs op een aanzienlijk kortere termijn zou zijn aangewezen op een bijstandsuitkering, dan wanneer hij de woning tegen een reële marktprijs zou hebben verkocht.
Het benadelingsbedrag
5.7
In het bestreden besluit heeft het college het benadelingsbedrag berekend op
€ 24.890,83. De rechtbank ziet geen aanleiding deze berekening onjuist te achten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.7.1
In beroep heeft eiser nadere stukken overgelegd, waaruit volgens hem blijkt van meer schulden dan waarmee het college rekening heeft gehouden. De rechtbank kan eisers standpunt niet volgen, nu de herkomst van deze schulden niet blijkt uit de overgelegde gegevens. Ook is niet duidelijk of hiermee al rekening is gehouden in het overzicht dat in bezwaar al is overgelegd. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat het college voor de vaststelling van de schulden, die in mindering moeten worden gebracht op de opbrengst van de woning, heeft kunnen uitgaan van de aanvraagdatum, omdat dit de beoogde ingangsdatum van de bijstandsuitkering is.
5.7.2
Voor de berekening van de periode waarover eiser met de opbrengst van de woning in zijn levensonderhoud had kunnen voorzien, is het college terecht uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Eisers zoon was ten tijde van de bijstandsaanvraag
- en ook ten tijde van de verkoop van de woning - immers meerderjarig, zodat eiser niet kan worden aangemerkt als een alleenstaande ouder.
Vertrouwensbeginsel
5.8
Van schending van het vertrouwensbeginsel is de rechtbank onvoldoende gebleken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.8.1
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [4]
5.8.2
Eiser stelt dat zijn contactpersoon zou hebben toegezegd dat zijn uitkering voor de duur van een maand niet zou worden betaald. De contactpersoon heeft ontkend dat hij een dergelijke toezegging heeft gedaan. Hij heeft wel met eiser gesproken wat de eventuele consequenties voor het recht op bijstand kunnen zijn. Dat was op een moment dat het onderzoek nog volop gaande was en in het geheel niet zeker was of en in welke omvang en welke vorm de bijstand zou worden toegekend.
5.8.3
Van een ondubbelzinnige toezegging is niet gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van van een ander verloop van het gesprek tussen eiser en de contactpersoon dan hiervoor weergegeven, nu eiser een ander verloop van het gesprek niet heeft onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat op het moment van het gesprek nog niet was beslist op eisers aanvraag. Gelet hierop, moet eiser duidelijk zijn geweest dat, voor zover de contactpersoon heeft verklaard zoals eiser heeft gesteld, nog anders op de aanvraag kon worden beslist. Ook heeft eiser er rekening mee moeten houden dat de contactpersoon niet bevoegd was om toezeggingen te doen.
De belangenafweging en de evenredigheid
5.9
Het college heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval het belang van het college bij verstrekking van de bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening zwaarder dient te wegen dan het belang van eiser. [5] Van onevenredigheid is de rechtbank onvoldoende gebleken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.9.1
Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser als gevolg van het prijsgeven van vermogen eerder dan noodzakelijk aanspraak op bijstand heeft moeten maken. Als gevolg daarvan kan de samenleving een potentieel nadeel lijden van
€ 24,890,83. Omdat een voorziening als de PW als laatste vangnet een groot goed is en op draagkracht in de samenleving moet kunnen blijven rekenen, is het van groot belang dat het nadeel, dat de samenleving als gevolg van onverantwoord gedrag lijdt, zoveel mogelijk wordt gecompenseerd. Gelet op de hoogte van het voornoemde potentiële nadeel, is compensatie middels toepassing van de Afstemmingsverordening volgens het college geen optie. Compensatie is volgens het college alleen door middel van toepassing van artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de PW reëel. Dat artikel is voor situaties als die van eiser in het leven geroepen. Noch uit het dossier, noch uit de in bezwaar aangevoerde gronden, leidt het college af dat het besluit om bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken onevenredig belastend is voor eiser en dat het belang van de samenleving zou moeten wijken voor zijn belang.
5.9.2
De rechtbank acht de verlening van de bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening een geschikt en noodzakelijk middel ter compensatie van de benadeling van het college. Vastgesteld moet worden dat eiser het college voor een aanzienlijk bedrag heeft benadeeld. Gelet hierop heeft het college kunnen besluiten met toepassing van artikel 48, tweede lid, onder b, Participatiewet, de bijstand voor een deel in de vorm van een geldlening te verstrekken. Van onevenredigheid is de rechtbank niet gebleken. Er is sprake van een aanzienlijke benadeling voor het college. Eiser moet te zijner tijd weliswaar het bedrag van de geldlening terugbetalen, maar eiser ontvangt momenteel een bijstandsuitkering naar de voor hem geldende norm en bij de terugbetaling van de geldlening zal te zijner tijd rekening gehouden worden met zijn aflossingscapaciteit. Gelet hierop, acht de rechtbank het evenredig dat het college bijstand verleent in de vorm van een geldlening tot de hoogte van het benadelingsbedrag.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Participatiewet
Artikel 18. Afstemming
(…)
2. Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.
(...)
9. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
10. Het college stemt een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
(...)
Artikel 34. Vermogen
1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
(…)
Artikel 48. Geldgeldlening en borgtocht
(…)
2. Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien:
a. (…)
b. de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
(…)
Artikel 34. Vermogen
1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.
(...)

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:187.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5098.
3.Zie uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17-09-2019, vindplaats ECLI:NL:CRVB:2019:3000
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559 en van
5.Artikel 3:4, tweede lid, van de PW.