ECLI:NL:RBOVE:2026:4021

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
11991332 \ CV EXPL 25-3505
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 195 RvArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia bij effectenleaseovereenkomst met schadevergoeding

Wijlen [erflater 1] en [erflater 2] sloten via Verzekerings Advies Holland een effectenleaseovereenkomst met Dexia, waarbij zij geld leenden om aandelen te kopen. Na koersdalingen leden zij verlies en restschuld. De erfgenaam vordert dat Dexia aansprakelijk wordt gesteld voor de geleden schade wegens onrechtmatig handelen.

De kantonrechter oordeelt dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden door de overeenkomst aan te gaan terwijl zij had moeten weten dat de tussenpersoon niet beschikte over de vereiste vergunning en persoonlijk advies gaf. Dexia heeft daardoor onrechtmatig gehandeld en is aansprakelijk voor de schade, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld.

Dexia's verweer dat er geen sprake was van vergunningplichtige advisering en dat de vordering verjaard is, wordt verworpen. De schadevergoeding wordt vastgesteld op €4.287,77, vermeerderd met wettelijke rente. Dexia wordt tevens veroordeeld om een eventuele negatieve BKR-registratie te verwijderen en in de proceskosten te worden veroordeeld.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding en het verwijderen van negatieve BKR-registraties wegens onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 11991332 \ CV EXPL 25-3505
Vonnis van 30 juni 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij, handelende voor zichzelf en ten behoeve van de gemeenschap in hoedanigheid van wettelijke erfgenaam van [erflater 1] en tevens ten behoeve van de huwelijksgemeenschap die [erflater 1] had met [erflater 2] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. [gemachtigde] (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.Kern van de zaak

1.1.
Wijlen [erflater 1] (hierna: [erflater 1] ) heeft samen met [erflater 2] via Verzekerings Advies Holland een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van die overeenkomst(en) leenden [erflater 1] en [erflater 2] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [erflater 1] en [erflater 2] betaalden met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moesten zij het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat zij verlies hebben geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door hen geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door wijlen [erflater 1] en [erflater 2] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 19 november 2025;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[erflater 1] en [erflater 2] (hierna: [erflater 1] en [erflater 2] ) hebben de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[contractnummer]
23 juni 2000
Capital Effect Vooruitbetaling
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
11 januari 2006
-€ 1.024,78
deels verrekend
3.3.
Volgens het financieel overzicht van Dexia hebben [erflater 1] en [erflater 2] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van
€ 6.018,80 aan maandtermijnen en een bedrag van € 112,47, via verrekening, wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens hetzelfde overzicht hebben [erflater 1] en [erflater 2]
€ 1.092,28 aan dividenden ontvangen en € 638,75 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
De gemachtigde van [erflater 1] en [erflater 2] , Leaseproces, heeft bij brief van
6 januari 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

4.De vorderingen en het verweer, in conventie en in reconventie

4.1.
[partij A] , erfgename van [erflater 1] , vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [erflater 1] en/of toerekenbaar is tekortgeschoten;
  • voor recht zal verklaren dat [erflater 1] en iedere erfgenaam van [erflater 1] , alsmede voormalige echtgenote [erflater 2] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade ten behoeve van de gemeenschappen aan [partij A] , optredende als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van [erflater 1] , te vergoeden;
  • Dexia zal veroordelen om binnen twee weken na het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [partij A] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00;
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij A] , ten behoeve van de gemeenschappen aan [partij A] , optredende als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van [erflater 1] , van al datgene dat [erflater 1] en [erflater 2] aan Dexia hebben betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij A] , met rente;
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • [partij A] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 114,56, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2006;
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer] niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend.
  • [partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal, voor zover nodig, hierna nader worden ingegaan.

5.De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie

Algemeen

5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [erflater 1] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
  • er is sprake van huurkoop;
  • er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden, evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
  • Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
  • [erflater 1] en [erflater 2] hebben schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
  • er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [erflater 1] en [erflater 2] en de onrechtmatige daad van Dexia.
Contractspartij
5.4.
Partijen zijn het niet eens over wie als contractspartij van Dexia moet worden aangemerkt. Volgens [partij A] is alleen [erflater 1] contractspartij en heeft [erflater 2] slechts meegetekend in hoedanigheid van echtgenote. Volgens Dexia zijn [erflater 1] en [erflater 2] allebei contractspartij. De kantonrechter overweegt dat het antwoord op de vraag wie contractspartij bij de overeenkomst is, afhankelijk is van hetgeen de feitelijk handelende betrokkenen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. In dit geval vermeldt de overeenkomst bovenaan als contractspartij “Mevrouw [erflater 2] en/of de heer [erflater 1] , hierna te noemen lessee”. Onderaan de overeenkomst staan de handtekeningen van [erflater 1] en [erflater 2] , die van [erflater 1] bij “Handtekening lessee” die van [erflater 2] bij “Handtekening echtgeno(o)t(e)”. Uit het aanvraagformulier Effectenlease overeenkomst blijkt dat de overeenkomst is aangevraagd door [erflater 1] als aanvrager en [erflater 2] als mede-aanvrager. De vooruitbetaling voor de overeenkomst is betaald met een hypotheek, ook op beide namen [erflater 1] en [erflater 2] . Gelet op deze verklaringen en omstandigheden is de kantonrechter met Dexia van oordeel dat zowel [erflater 1] als [erflater 2] contractspartij zijn bij de overeenkomst. Uit het onderaan tekenen van de overeenkomst als “echtgenote” zou kunnen worden afgeleid dat alleen [erflater 1] contractspartij is maar uit de overige gedragingen en omstandigheden blijkt volgens de kantonrechter voldoende wat de bedoeling was; [erflater 1] is de overeenkomst aangegaan samen met [erflater 2] .
Verjaring
5.5.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
Tussenpersoon
5.6.
[erflater 1] en [erflater 2] hebben de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Verzekerings Advies Holland. Tussen partijen is niet in geschil dat Verzekerings Advies Holland niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.7.
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen.
5.8.
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.9.
De stelplicht en bewijslast dat Verzekerings Advies Holland [erflater 1] en [erflater 2] hebben geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat Verzekerings Advies Holland [erflater 1] en [erflater 2] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.10.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [erflater 1] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.11.
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
Contractant ( [erflater 1] of [erflater 1] en [erflater 2] , ktr.) werd bekend met Verzekerings Advies Holland door een advertentie over financieel advies. Contractant had interesse in financieel advies omtrent een hypothecaire lening en heeft daarom op die advertentie gereageerd. Vervolgens is er met Contractant een afspraak gemaakt voor een huisbezoek om de financiële situatie van Contractant door te nemen met een financieel adviseur van Verzekeringsadvies Holland. Contractant heeft met dit huisbezoek ingestemd. Uiteindelijk hebben er meerdere huisbezoeken plaatsgevonden. Mevrouw [erflater 2] was daar ook bij aanwezig. Tijdens het eerste huisbezoek heeft de medewerker van Verzekeringsadvies Holland geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van Contractant. Zo is met de medewerker gesproken over het inkomen, het spaargeld en de koopwoning van Contractant. Contractant wilde zijn huis verbouwen en had interesse in de mogelijkheden tot het aanwenden van een hypothecaire lening hiervoor. Daarnaast is met de medewerker gesproken over de wens van Contractant om een financiële reserve op te bouwen. De medewerker gaf aan dat het mogelijk was om deze doelen te bereiken en dat hij hier een geschikte constructie voor wist. De medewerker adviseerde Contractant om een Capital Effect product met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 12.000,- van Bank Labouchere af te sluiten. Contractant hiervoor een hypothecaire lening aan te gaan voor een hoger bedrag dan benodigd was voor de verbouwing van zijn
huis, zodat hij de hypothecaire lening gedeeltelijk kon aanwenden voor de vooruitbetaling van het Capital Effect product. Volgens de medewerker zou Contractant op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waarmee Contractant de hypothecaire lening sneller zou kunnen aflossen en daarnaast een financiële reserve kon opbouwen.
De medewerker heeft Contractant niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd, dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als Contractant op deze risico’s gewezen was, had hij het Capital Effect nooit afgesloten. Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de medewerker en zijn advies. Om deze reden heeft Contractant het advies van de medewerker opgevolgd en een Capital Effect met een vooruitbetaling van NLG 12.012,42 van Bank Labouchere afgesloten. De aanvraag voor het Capital Effect is door de medewerker in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. De hypotheek is via een lening bij Efima Hypotheken B.V. aangegaan en er is voor NLG 12.012,42 aan vooruitbetaalde inleg betaald voor het Capital Effect van Bank Labouchere.
Het opvolgen van het advies heeft voor Contractant desastreus uitgepakt. In plaats van het voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, is Contractant de betaalde inleg geheel kwijt geraakt. Daarnaast heeft Contractant een restschuld aan de overeenkomst over gehouden.
5.12.
[partij A] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van het aanvraagformulier dat heeft geleid tot de overeenkomst waarop het product is aangekruist en welk formulier ook door de adviseur [bedrijf] / [naam] is ondertekend met diens ATP-nummer [ATP-nummer] ;
  • een kopie van de overeenkomst op naam van [erflater 2] en [erflater 1] met contractnummer [contractnummer] , voorzien van het adviseursnummer [ATP-nummer] Verzekerings Advies Holland;
  • een hypotheekakte van 5 juli 2000 tussen [erflater 1] en [erflater 2] enerzijds en Efima Hypotheken B.V. anderzijds over de hypothecaire geldlening van NLG 77.500,00;
  • een kopie van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van Verzekerings Advies Holland met als beschrijving van de werkzaamheden onder andere ‘het bemiddelen en verkopen van verzekeringen en financiële diensten’;
Aanhoudingsverzoek
5.13.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.14.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(Nieuwe) argumenten Dexia
5.15.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat (de gemachtigde van [partij A] ) Leaseproces ten onrechte op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust; en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.16.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij A] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de medewerker van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in het geval van [erflater 1] en [erflater 2] heeft [partij A] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij A] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [partij A] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [erflater 1] en [erflater 2] en de medewerker van Verzekerings Advies Holland, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [erflater 1] en [erflater 2] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
5.17.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Verzekerings Advies Holland aan [erflater 1] en [erflater 2] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [partij A] voor rekening van Dexia.
Aansprakelijkheid Dexia
5.18.
Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [erflater 1] en [erflater 2] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [erflater 1] en [erflater 2] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [erflater 1] en [erflater 2] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van [erflater 1] en [erflater 2] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Vorderingen van [partij A]
5.19.
De door [partij A] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater 1] en [erflater 2] heeft gehandeld door hen als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Verzekerings Advies Holland [erflater 1] en [erflater 2] niet alleen als klant aanbracht maar [erflater 1] en [erflater 2] tevens persoonlijk had geadviseerd en Verzekerings Advies Holland geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal ook worden toegewezen. De verklaring voor recht dat [erflater 1] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen. [partij A] heeft als (mede-)erfgename van [erflater 1] recht op de helft van de toe te wijzen schadevergoeding. Er is in dit geval sprake van twee contractspartijen die ieder recht hebben op de helft van de schadevergoeding. Er is in dit geval geen sprake van een deelgenootschap zoals door [partij A] - [erflater 1] is aangevoerd.
Schade
5.20.
De als gevolg hiervan door [erflater 1] (en [erflater 2] ) geleden schade is door partijen besproken in de processtukken. [partij A] heeft de schade berekend op € 4.287,77 en Dexia heeft deze berekening niet betwist. Dit bedrag is toewijsbaar als volgt. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. [6] Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [7]
5.21.
Dexia zal – voor het geval Dexia met betrekking tot [partij A] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [partij A] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00.
5.22.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Vordering van Dexia
5.23.
Dexia vordert dat [partij A] wordt veroordeeld een afschrift van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure feitelijke stellingen zijn ontleend, aan Dexia te verstrekken.
5.24.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [erflater 1] en/of [erflater 2] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
Vorderingen van Dexia
5.25.
Gelet op de beoordeling in conventie, zullen de vorderingen van Dexia worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.26.
Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 100,00
Totaal € 1.552,47
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater 1] (en [erflater 2] ) heeft gehandeld door [erflater 1] (en [erflater 2] ) als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat Verzekerings Advies Holland [erflater 1] (en [erflater 2] ) niet alleen als klant aanbracht, maar hen ook persoonlijk had geadviseerd en Verzekerings Advies Holland geen vergunning daarvoor bezat;
6.2.
verklaart voor recht dat [erflater 1] (en [erflater 2] ) schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
6.3.
verklaart voor recht dat de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is.
6.4.
veroordeelt Dexia om aan [partij A] te betalen de helft van de schadevergoeding van € 4.287,77, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.20;
6.5.
veroordeelt Dexia – voor het geval Dexia met betrekking tot [partij A] een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [partij A] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van
€ 10.000,00;
6.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1552,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.10.
wijst de vorderingen af;
6.11.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:845 en gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
6.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.