Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3524

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
12029041 \ CV EXPL 25-3735
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 195 RvArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige handelwijze Dexia bij effectenleaseovereenkomst met volledige schadevergoeding

In deze zaak staat de effectenleaseovereenkomst tussen [partij A] en Dexia centraal, waarbij [partij A] verlies leed door de waardedaling van de aandelen. [partij A] vordert volledige schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Dexia, die via een niet-vergunde tussenpersoon adviseerde.

De kantonrechter sluit aan bij bestaande jurisprudentie en oordeelt dat Dexia haar zorgplicht, met name de waarschuwingsplicht, heeft geschonden. Dexia had moeten weten dat de tussenpersoon A-Z Adviesgroep zonder vergunning persoonlijk advies gaf, wat onrechtmatig is. Dexia wordt daarom gehouden tot volledige vergoeding van de schade van [partij A], inclusief betaalde termijnen en restschuld.

Dexia's verweer dat de vordering verjaard is, wordt verworpen. Ook de vordering van Dexia tot betaling van een restschuld wordt afgewezen. Verder wordt Dexia veroordeeld om de negatieve BKR-registratie te verwijderen en in de proceskosten te voorzien. Het incidentele verzoek van Dexia om inzage in het intakeformulier wordt afgewezen vanwege het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding en het verwijderen van de negatieve BKR-registratie van [partij A].

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12029041 \ CV EXPL 25-3735
Vonnis van 2 juni 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

1.Kern van de zaak

1.1.
[partij A] heeft via A-Z Adviesgroep een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van de overeenkomst leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 17 december 2025;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlaten producties in conventie.
2.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomst gesloten, met als wederpartij (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[contractnummer]
19-10-2001
Capital Effect
3.2.
Nadat [partij A] deze overeenkomst tussentijds heeft beëindigd, heeft Dexia een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
14-02-2005
- € 5.865,36
Nee
3.3.
Volgens het financieel overzicht van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van
€ 6.029,46 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Nadat Dexia de oorspronkelijke restschuld heeft verrekend met diverse dividendopbrengsten, staat er nog een post aan restschuld open van € 5.641,31 die [partij A] niet heeft betaald. Volgens hetzelfde overzicht heeft [partij A] € 1.021,22 aan dividenden ontvangen en € 331,89 aan fiscaal voordeel genoten. Op 15 januari 2025 heeft Dexia een bedrag van € 1.867,77 aan [partij A] uitbetaald, in het overzicht van Dexia vermeld als ‘onverplichte uitbetaling’.
3.4.
De gemachtigde van [partij A] heeft bij brief van 14 mei 2007 de nietigheid, vernietiging dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en dwaling. In de brief wordt ook het recht voorbehouden daartoe nog andere gronden nog aan te voeren.
4. De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak in conventie, in reconventie en in het incident
4.1.
[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [partij A] ;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
  • Dexia zal veroordelen om te bewerkstelligen dat de registratie van [partij A] bij het Bureau Kredietregistratie wordt doorgehaald en de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 met een maximum van € 20.000,00;
  • Dexia zal veroordelen om de schade die [partij A] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden, te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Dexia te voldoen al hetgeen [partij A] heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van [partij A] , vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen van [partij A] en concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering waarbij Dexia (samengevat) vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • [partij A] zal veroordelen tot betaling van € 1.731,07 te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend;
  • [partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover nodig voor de beslissing van de kantonrechter, nader worden ingegaan.
5. De beoordeling in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in het incident
Algemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
  • er is sprake van huurkoop;
  • er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
  • Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
  • [partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
  • er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [partij A] en de onrechtmatige daad van Dexia.
Verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
Tussenpersoon
5.5.
[partij A] heeft de overeenkomst met (de rechtsvoorganger van) Dexia gesloten via de tussenpersoon A-Z Adviesgroep. Tussen partijen is niet in geschil dat deze tussenpersonen niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.6.
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021, [4] dat heeft geleid tot de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019, toegelicht dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. [5] Er is geen reden om thans anders te oordelen.
5.7.
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8.
De stelplicht en bewijslast dat A-Z Adviesgroep [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat A-Z Adviesgroep [partij A] anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op het product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.9.
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken dat hij via zijn broer in contact kwam met A-Z Adviesgroep. Zijn broer had een afspraak gemaakt met een medewerker van A-Z Adviesgroep, zodat [partij A] en zijn ouders hun financiële situatie konden doornemen en de mogelijkheden van vermogensopbouw konden onderzoeken. De medewerker is vervolgens bij de ouders van [partij A] langs geweest. Tijdens dit huisbezoek waren [partij A] en zijn wijlen moeder aanwezig.
[partij A] voert aan dat de medewerker van A-Z Adviesgroep tijdens het gesprek heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [partij A] . [partij A] woonde destijds bij zijn ouders, als administratief medewerker bij een verzekeringsmaatschappij werkzaam en had weinig vaste lasten. De wens van [partij A] om vermogen op te bouwen voor de toekomst, om bijvoorbeeld een woning of een auto te kopen werd besproken en volgens [partij A] gaf de medewerker aan dat hij een geschikt product kon adviseren om zijn doelen te verwezenlijken.
Volgens [partij A] was het advies van de medewerker van A-Z Adviesgroep om een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 350,00. Daarvoor moeste [partij A] zijn salaris aanwenden. [partij A] stelt dat de medewerker aangaf dat met een Capital Effect overeenkomst enkel zou worden belegd in betrouwbare bedrijven, waardoor er niets kon misgaan.
[partij A] stelt verder dat de medewerker hem niet heeft geïnformeerd over de specifieke risico’s. De medewerker zou [partij A] niet erop hebben gewezen dat met geleend geld werd belegd, dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg verloren kon gaan en een schuld kon ontstaan uit hoofde van de overeenkomst. Als hij op deze risico’s was gewezen, had hij de overeenkomst nooit afgesloten, zo de stelling van [partij A] .
[partij A] voert aan dat hij geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten had, daarom vertrouwde hij op de deskundigheid en advies van de medewerker en heeft hij uiteindelijk het advies opgevolgd en een Capital Effect overeenkomst afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 349,66. De aanvraag is door de medewerker in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend, aldus [partij A] .
Tot slot voert [partij A] aan dat het opvolgen van het advies desastreus heeft uitgepakt, want in plaats van het vermogen dat zou worden opgebouwd, is hij de betaalde inleg kwijtgeraakt en heeft hij een restschuld aan de overeenkomst overgehouden.
5.10.
[partij A] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de Capital Effect overeenkomst met nummer [contractnummer] van 19 oktober 2001 op naam van en getekend door [partij A] en met vermelding van een leasesom van NLG 249,66 en [ATP-nummer] -A-Z Adviesgroep B.V. als adviseur;
  • een kopie van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van A-Z Adviesgroep met als activiteitenomschrijving: ‘[…]
Aanhoudingsverzoek
5.11.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.12.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(Nieuwe) argumenten Dexia
5.13.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat (de gemachtigde van [partij A] ) Leaseproces ten onrechte op haar woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de betreffende tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust; en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.14.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij A] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de medewerker van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [6] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [partij A] tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij A] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand is gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet dan ook als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [partij A] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dit volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en de medewerker van A-Z Adviesgroep, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [partij A] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent, betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
5.15.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van A-Z Adviesgroep aan [partij A] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie, had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [partij A] voor rekening van Dexia.
Aansprakelijkheid Dexia
5.16.
Nu Dexia ondanks het voorgaande, de overeenkomst toch met [partij A] is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [7] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht
5.17.
De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat A-Z Adviesgroep [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar ook persoonlijk had geadviseerd en daarvoor geen vergunning bezat. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.
Schade
5.18.
Dexia stelt dat de overeenkomst is geëindigd in een restschuld die tot vandaag onbetaald is gebleven. Volgens Dexia is haar schadevergoedingsplicht op grond van het Hofmodel beperkt tot twee derde gedeelte van de restschuld zodat één derde voor rekening van [partij A] dient te blijven. In dat kader vordert Dexia in reconventie betaling van € 1.731,07 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2005. De kantonrechter wijst deze vordering af. Zoals hiervoor is geoordeeld, komt namelijk alle schade voor rekening van Dexia. Dat betekent dat [partij A] geen restschuld verschuldigd is, ongeacht de berekening van de hoogte van die restschuld door Dexia. De in dat kader door [partij A] gevorderde verklaring voor recht dat hij de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is, zal dan ook worden toegewezen.
5.19.
[partij A] heeft zijn schade berekend op € 4.676,35 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dexia heeft deze schadeberekening betwist. Dexia heeft gewezen op het bedrag van € 1.867,77 dat zij op 15 januari 2025 aan [partij A] als ‘onverplichte uitbetaling’ heeft uitgekeerd. Dexia stelt zich op het standpunt dat dit bedrag voor € 1.035,87 uit rente bestaat zodat € 831,90 in mindering strekt op de schade van [partij A] . Volgens Dexia bedraagt de daadwerkelijke schade van [partij A] daarmee € 3.844,45. [partij A] betwist niet dat hij € 1.867,77 heeft ontvangen, maar weerspreekt dat daarvan € 1.035,87 rente is.
5.20.
De kantonrechter overweegt als volgt. Zoals [partij A] heeft aangevoerd, heeft Dexia de opbouw van het door haar uitgekeerde bedrag niet toegelicht en ook niet onderbouwd. Weliswaar staat in het als productie 1 door Dexia overgelegde financiële overzicht in de kolom ‘onverplichte uitbetaling’ een bedrag van € 1.035,87 aan wettelijke rente, maar dat is gelet op de betwisting van [partij A] onvoldoende. Het had op de weg van Dexia gelegen haar renteberekening inzichtelijk te maken. Dat betekent dat de kantonrechter ervan moet uitgaan dat de schadeberekening van [partij A] klopt.
5.21.
De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [partij A] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht, waarvan de juistheid door [partij A] , behoudens het bedrag van de ‘onverplichte uitbetaling’, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia aan [partij A] is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021. [8] De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. [9] Op deze uitkomst strekt vervolgens in mindering het door Dexia betaalde bedrag van € 1.867,77.
5.22.
[partij A] heeft een vordering ingesteld tot vergoeding van zijn buitengerechtelijke incassokosten. Dit zal worden afgewezen aangezien niet gebleken is dat er in dit geval meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan de werkzaamheden genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [10]
BKR-registratie
5.23.
Dexia zal, voor zover zij met betrekking tot [partij A] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven, worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie in Tiel te berichten dat [partij A] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft. Een dwangsom acht de kantonrechter op zijn plaats, maar de hoogte zal worden aangepast. De dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van
€ 10.000,00.
5.24.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Incidentele vordering ex 195 Rv van Dexia
5.25.
Dexia vordert dat [partij A] wordt veroordeeld om ex artikel 195 Rv Pro een afschrift aan Dexia te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend.
5.26.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces zijn terechtgekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.27.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82,00.
De door Dexia gevorderde verklaring voor recht
5.28.
Gelet op de voorgaande beoordeling, zal ook de reconventionele vordering van Dexia om voor recht te verklaren dat zij met betrekking tot de tussen [partij A] en haar gesloten overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [partij A] is verschuldigd, worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.29.
Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] . Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [partij A] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
753,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punt × € 288,00)
- nakosten
100,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.573,47
5.30.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] tot op heden begroot op € 82,00;
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat A-Z Adviesgroep [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar [partij A] ook persoonlijk had geadviseerd en A-Z Adviesgroep geen vergunning daarvoor bezat;
6.4.
verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
6.5.
verklaart voor recht dat [partij A] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is;
6.6.
veroordeelt Dexia om aan [partij A] de schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.21.;
6.7.
veroordeelt Dexia – voor zover Dexia met betrekking tot [partij A] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie in Tiel te berichten dat [partij A] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom van
€ 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00;
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.573,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.12.
wijst de vordering af;
6.13.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
6.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:845 en gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
7.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
9.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.