Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2276

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
ak_25_3402 en 25_3510
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 134 GrondwetArt. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 4:13 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet tijdig beslissen en bezwaar bij aanwijzing advocaat door deken

Eiser verzocht de deken van de Orde van advocaten Noord-Holland om een advocaat aan te wijzen. De deken wees op 19 augustus 2025 een advocaat aan met voorwaarden. Eiser stelde dat dit geen besluit was en dat de voorwaarden strijdig waren met de Advocatenwet. De rechtbank oordeelt dat de brief van 19 augustus 2025 wel een besluit is en dat de deken tijdig heeft beslist, waardoor het beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.

Eiser maakte bezwaar tegen de voorwaarden van de aanwijzing, maar de deken verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank stelt dat de deken het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat bij een volledige toewijzing geen belang bestaat en bij een verkapte afwijzing alleen beklag bij het Hof van Discipline openstaat. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit op bezwaar en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

De rechtbank oordeelt verder dat zij bevoegd is om kennis te nemen van beide beroepen, ondanks dat eiser stelt geen woonplaats meer in Nederland te hebben. De rechtbank wijst het beroep tegen niet tijdig beslissen af en wijst het beroep tegen het besluit op bezwaar toe. De deken wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit op bezwaar is gegrond verklaard en het bezwaar tegen de aanwijzing van een advocaat is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/3402 en ZWO 25/3510

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], uit [woonplaats] (hierna: [eiser]), eiser,

en
de deken van de Orde van advocaten Noord-Holland(hierna: de deken), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat in de eerste plaats over het beroep van [eiser] tegen het niet tijdig beslissen door de deken op een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat. De deken heeft in een brief van 19 augustus 2025 aan [eiser] een advocaat aangewezen. De deken heeft aan deze aanwijzing een aantal voorwaarden verbonden. De rechtbank oordeelt dat deze brief moet worden aangemerkt als een besluit op het verzoek van [eiser]. Met dit besluit heeft de deken tijdig beslist op het verzoek. Daarom is dit beroep niet-ontvankelijk.
Daarnaast gaat deze uitspraak over het beroep van [eiser] tegen het besluit van 17 oktober 2025 waarbij de deken het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 19 augustus 2025 ongegrond heeft verklaard. De rechtbank oordeelt dat de deken het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Voor zover sprake is van een volledige toewijzing van het verzoek, had [eiser] geen belang bij een beoordeling van zijn bezwaar tegen dat besluit. Voor zover sprake is van een verkapte (gehele of gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek, stond daartegen geen bezwaar open maar kon daartegen alleen beklag worden gedaan hij het Hof van Discipline. Daarom is dit beroep gegrond.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. [eiser] heeft bij de deken een verzoek ingediend tot het aanwijzen van een advocaat. [eiser] heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dat verzoek. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/3402. De deken heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. Bij besluit van 19 augustus 2025 heeft de deken aan [eiser] een advocaat aangewezen. Met een besluit van 17 oktober 2025 heeft de deken het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 19 augustus 2025 ongegrond verklaard. [eiser] heeft bij de rechtbank Noord-Holland beroep ingesteld tegen het besluit van 17 oktober 2025. De rechtbank Noord-Holland heeft dit beroep doorgezonden naar deze rechtbank. Deze rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/3510. De deken heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2026 op zitting behandeld. [eiser] was aanwezig bij de behandeling van het beroep met zaaknummer ZWO 25/3402, maar heeft de zittingszaal verlaten voor het begin van de behandeling van het beroep met zaaknummer ZWO 25/3510. Namens de deken hebben [naam 1] en [naam 2] via een beeldverbinding aan de zitting deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De relevante feiten en omstandigheden
5. De rechtbank stelt vast dat het volgende tussen partijen niet in geschil is.
5.1.
[eiser] wil een procedure beginnen over een openstaande vordering. In dat kader heeft hij de deken verzocht om een advocaat aan te wijzen. Daarop heeft de deken aan [eiser] een advocaat aangewezen. Met een webformulier van 31 juli 2025 heeft [eiser] de deken verzocht om aanwijzing van een andere advocaat, omdat de eerste advocaat hem geen verdere bijstand verleent.
5.2.
In een brief van 19 augustus 2025 heeft de deken mr. H.J. Bos aangewezen als advocaat van [eiser]. Aan deze aanwijzing heeft de deken de volgende voorwaarden verbonden:
Mr. Bos is dominus litus. Hij heeft de leiding in de behandeling van de zaak. Hij dient vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid te bepalen met welke aanpak uw belangen het beste zijn gediend. Dat wil dus zeggen dat mr. Bos bepaalt of een eventuele procedure al dan niet kansrijk is. Mocht mr. Bos van mening zijn dat een eventuele procedure niet kansrijk is, dan dient u zich bij zijn deskundige advies neer te leggen. Mocht mr. Bos een procedure wel kansrijk achten, dan bepaalt hij de inhoud van de stukken en u kunt u hem niet dwingen, daarin stellingen of vorderingen op te nemen, waar hij als advocaat niet achter staat.
U heeft aangegeven in aanmerking te komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Mr. Bos zal daarom een toevoeging voor u kunnen aanvragen. Mr. Bos hoeft zijn werkzaamheden pas te starten wanneer u een voorschot voor de eigen bijdrage en bijkomende kosten heeft voldaan. Voor het geval de toevoegingsaanvraag onverhoopt wordt afgewezen of ingetrokken, zult u met mr. Bos overeenstemming moeten bereiken over het te hanteren (uur)tarief. Mr. Bos hoeft zijn werkzaamheden in dat geval pas te starten wanneer u hierover overeenstemming heeft bereikt.
Ik wijs eenmalig een advocaat aan. Dit betekent dat u het met mr. Bos moet doen; er zal geen tweede advocaat worden aangewezen. Indien mr. Bos zich om welke reden dan ook genoodzaakt ziet zich aan uw zaak te onttrekken, zal ik geen vervangende advocaat aanwijzen.
5.3.
Hiertegen heeft [eiser] bezwaar gemaakt. Met het besluit van 17 oktober 2025 heeft de deken het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
5.4.
Met een e-mail van 17 oktober 2025 heeft [eiser] de deken in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 31 juli 2025.
Kon [eiser] beroep instellen tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek?
6. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] beroep kon instellen tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. De orde van advocaten in het arrondissement Noord-Holland is, gelet op artikel 17, eerste en tweede lid, van de Advocatenwet een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 134 van Pro de Grondwet. De functie van deken van de orde van advocaten in het arrondissement vindt haar grondslag in artikel 22, eerste lid, van de Advocatenwet. Hieruit volgt dat de deken een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). [1] De aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet heeft een publiekrechtelijk rechtsgevolg omdat zo’n aanwijzing met zich brengt dat de aangewezen advocaat verplicht is om zijn diensten te verlenen. Daarom moet het verzoek van [eiser] worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. [2] Dat op grond van het bepaalde in artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de afwijzing van die aanvraag, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat de Awb wel van toepassing is op de behandeling van zo’n aanvraag. Daaruit volgt dat [eiser] met toepassing van de artikelen 4:17 en 6:12 van de Awb beroep kon instellen tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek. [3]
Welke rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van het beroep met zaaknummer ZWO 25/3510?
7. De rechtbank is van oordeel dat zij – en niet de rechtbank Noord-Holland – bevoegd is om ook kennis te nemen van het beroep met zaaknummer ZWO 25/3510. Zij zal dit hierna uitleggen.
7.1.
In de procedure met zaaknummer ZWO 25/3510 heeft [eiser] in een e-mail van 8 december 2025 verklaard dat hij niet langer een adres heeft waar hij in Nederland woonachtig is en dat hij alleen een postadres heeft. Daarom is volgens hem op grond van artikel 8:7 van Pro de Awb de rechtbank Noord-Holland bevoegd om dit beroep te behandelen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheidsregeling van artikel 8:7, tweede lid, van de Awb van toepassing is omdat de deken geen bestuursorgaan is als bedoeld in het eerste lid van die bepaling. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Awb is in dat geval bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Als de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
7.3.
Dit betekent dat voor het bepalen van de bevoegde rechtbank eerst moet worden gekeken of [eiser] een woonplaats in Nederland heeft en, zo ja, waar deze woonplaats is. De woonplaats van een natuurlijke persoon wordt beheerst door artikel 1:10 en Pro volgende van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW). Uit artikel 1:10, eerste lid, en 1:11 van het BW volgt dat de woonplaats moet worden bepaald aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Uit artikel 1:10, eerste lid, van het BW volgt dat een natuurlijk persoon zijn woonplaats heeft op de plaats waar hij feitelijk woont of – als zo’n plaats er niet is – op de plaats waar hij feitelijk verblijft. Het adres waar iemand is ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen (hierna: de BPR) kan een rol spelen bij het vaststellen van de woonplaats, maar is daarbij niet doorslaggevend. [4]
7.4.
[eiser] heeft bij het instellen van beide beroepen een adres in Deventer opgegeven. Dit adres is sinds 19 september 2019 in de BPR geregistreerd als zijn woonadres. [eiser] stelt in de procedure met zaaknummer ZWO 25/3510 dat hij niet langer een woonplaats in Nederland heeft en dat het adres in Deventer nu een postadres (“briefadres onder afdak”) is. De rechtbank heeft [eiser] zowel in een brief van 13 januari 2026 als op de zitting gevraagd of hij feitelijk buiten Nederland verblijft en, zo niet, waar in Nederland hij dan feitelijk woont of verblijft. [eiser] heeft deze vragen niet beantwoord. Hij heeft alleen gezegd dat hij niet op het adres in [woonplaats] woont en dat hij een nomadenbestaan leidt. [eiser] heeft niet aangegeven waar hij de afgelopen periode feitelijk heeft verbleven. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat [eiser] niet langer een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en vindt zij het aannemelijk dat [eiser] nog steeds een woonplaats binnen het rechtsgebied van de rechtbank Overijssel heeft. Daarom is deze rechtbank bevoegd om ook het beroep met zaaknummer ZWO 25/3510 te behandelen.
Heeft de deken (tijdig) een besluit genomen op het verzoek van 31 juli 2025?
8. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de deken niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek van 31 juli 2025 tot het aanwijzen van een advocaat op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet. Volgens [eiser] kan de brief van 19 augustus 2025 niet worden aangemerkt als een besluit op dit verzoek omdat geen sprake is van een “ongeschonden” aanwijzing. [eiser] is van mening dat de aan de aanwijzing verbonden voorwaarden in strijd zijn met artikel 13 van Pro de Advocatenwet. Op grond van het vierde lid van die bepaling is de aangewezen advocaat verplicht zijn diensten te verlenen, terwijl uit de voorwaarden in de brief van 19 augustus 2025 volgt dat het gaat om een aanwijzing op basis van vrijwilligheid. [eiser] is van mening dat de brief van 19 augustus 2025 daarom geen besluit op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet is en hooguit kan worden aangemerkt als een verwijzing naar een advocaat op basis van vrijwilligheid.
9. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 19 augustus 2025 moet worden aangemerkt als een besluit op het verzoek van [eiser]. In het verzoek vraagt [eiser] de deken om hem een advocaat aan te wijzen en dit is ook wat de deken heeft gedaan. Dat aan deze aanwijzing enkele voorwaarden zijn verbonden waar [eiser] het niet mee eens is, doet er niet aan af dat sprake is van een aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet. Anders dan [eiser] stelt, is deze aanwijzing niet geheel vrijblijvend en heeft deze dus een rechtsgevolg. De rechtbank stelt vast dat de deken met het besluit van 19 augustus 2025 ruim binnen de beslistermijn van acht weken op het verzoek van [eiser] heeft beslist. [5] Daarom is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk.
Kon [eiser] bezwaar maken tegen het besluit van 19 augustus 2025?
10. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 augustus 2025 tot aanwijzing van een advocaat. De rechtbank begrijpt uit de gronden van bezwaar en beroep dat [eiser] van mening is dat door de aan de aanwijzing verbonden voorwaarden feitelijk sprake was van een (verkapte) afwijzing van zijn verzoek. De deken heeft dit bezwaar ongegrond verklaard. De deken heeft zich op het standpunt gesteld dat – ondanks de gestelde voorwaarden – sprake is van een toewijzing van het verzoek.
11. De rechtbank is van oordeel dat de deken het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Hierbij overweegt de rechtbank dat, voor zover het verzoek volledig is toegewezen, [eiser] geen belang bij een beoordeling van het besluit had. In dat geval kon hij met het bezwaar niet bereiken dat hij meer zou krijgen dan hij al had gekregen. Voor zover sprake is van een verkapte (gehele of gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek, stond daartegen geen bezwaar open. In dat geval kon tegen dit besluit op grond van artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet alleen beklag worden gedaan hij het Hof van Discipline. [6] De rechtbank is van oordeel dat het Hof van Discipline de aangewezen instantie is om te beoordelen of al dan niet sprake is van een verkapte afwijzing omdat het Hof van Discipline bij uitstek deskundig is op dat gebied. [7]
Heeft de deken de hoorplicht geschonden?
12. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat de deken hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord over zijn bezwaar. In een e-mail van 2 oktober 2025 heeft de deken [eiser] meegedeeld dat hij het recht heeft om zijn bezwaar mondeling toe te lichten en heeft hij hem verzocht binnen één week aan te geven of hij van die gelegenheid gebruik wilde maken. In antwoord daarop heeft [eiser] de deken in een e-mail van 6 oktober 2025 meegedeeld dat de inhoud van zijn bezwaarschrift in beginsel duidelijk is en hij daar mondeling weinig aan toe te voegen heeft. Verder heeft [eiser] in deze e-mail aangegeven dat hij de berichtgeving van de deken afwacht en zich het recht voorbehoudt om naast schriftelijk ook mondeling te reageren. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat [eiser] niet binnen de door de deken gestelde termijn heeft verklaard dat hij wilde worden gehoord. De deken heeft het voorbehoud van [eiser] zo kunnen opvatten dat deze op dat moment geen behoefte had om te worden gehoord, maar dat dit eventueel nog anders zou kunnen worden als de deken nieuwe berichten en/of stukken in het geding zou brengen. Na de e-mail van [eiser] van 6 oktober 2025 heeft de deken geen nieuwe berichten en/of stukken in het geding gebracht, maar heeft hij meteen een besluit op het bezwaar genomen. Daarom heeft de deken op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb kunnen afzien van het horen van [eiser]. Verder merkt de rechtbank op dat het bezwaar, gelet op wat onder 12 is overwogen, kennelijk niet-ontvankelijk was. Daarom had de deken ook kunnen afzien van het horen van [eiser] op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep met zaaknummer ZWO 25/3402 is niet-ontvankelijk. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van de door hem in deze zaak gemaakte proceskosten.
14. Het beroep met zaaknummer ZWO 25/3510 is gegrond omdat de deken het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het besluit van 17 oktober 2025. De rechtbank neemt nu zelf een beslissing en verklaart het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2025 niet-ontvankelijk.
15. Omdat het beroep met zaaknummer ZWO 25/3510 gegrond is, moet de deken het griffierecht in deze beroepsprocedure aan [eiser] vergoeden en krijgt [eiser] ook een vergoeding van de door hem in deze beroepsprocedure proceskosten. Deze proceskosten bestaan uit de door [eiser] gemaakte reiskosten van € 32,40. Dit zijn de kosten voor de treinreis van Amersfoort naar Zwolle en terug in de tweede klasse. De deken moet deze kosten aan [eiser] vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer ZWO 25/3402 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep met zaaknummer ZWO 25/3510 gegrond;
- vernietigt het besluit op bezwaar van 17 oktober 2025;
- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2025 niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de deken het griffierecht in de beroepsprocedure met zaaknummer ZWO 25/3510 van € 53,- aan [eiser] moet vergoeden;
- veroordeelt de deken tot betaling aan [eiser] van de door hem in de beroepsprocedure met zaaknummer ZWO 25/3510 gemaakte proceskosten van € 32,40.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Grondwet

artikel 134, eerste lid

Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.
Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 1:1, eerste lid

Onder bestuursorgaan wordt verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of […].

artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. […]
3 Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. […].

artikel 4:13

1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2 De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

artikel 6:12

1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit […] is het niet aan een termijn gebonden.
2 Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

artikel 7:3

Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, […]
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, […].

artikel 8:7

1. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente of een waterschap dan wel tegen een besluit van een gemeenschappelijk orgaan, een bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie of een bestuursorgaan van een openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
2 Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft. […].
Eerste boek van het Burgerlijk Wetboek (BW)

artikel 10, eerste lid

De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

artikel 11, tweede lid

Een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de betrokken colleges van burgemeester en wethouders heeft kennis gegeven.
Advocatenwet

artikel 10a, eerste lid

In het belang van een goede rechtsbedeling draagt de advocaat zorg voor de rechtsbescherming van zijn cliënt. Daartoe is de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep:
a. onafhankelijk ten opzichte van zijn cliënt […];
b. partijdig bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt; […];
d. integer en onthoudt hij zich van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt; en […].

artikel 13

1. De rechtzoekende die niet of niet tijdig een advocaat bereid vindt hem zijn diensten te verlenen in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, kan zich wenden tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen. […]
3 Binnen zes weken na de bekendmaking van de beschikking, houdende afwijzing van het verzoek, kan de belanghebbende beklag doen bij het hof van discipline. Op de behandeling van het beklag zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
4 De aangewezen advocaat is verplicht zijn diensten te verlenen. [...].

artikel 17

1. De gezamenlijke advocaten, die in Nederland zijn ingeschreven, vormen de Nederlandse orde van advocaten. Zij is gevestigd te 's-Gravenhage. Zij is een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 134 van Pro de Grondwet.
2 De gezamenlijke advocaten die kantoor houden in een zelfde arrondissement, vormen de orde van advocaten in het arrondissement.
3 De Nederlandse orde van advocaten en de orden zijn rechtspersonen.

artikel 22

1 De orde in het arrondissement wordt bestuurd door een raad die bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste elf leden, onder wie de deken. Het aantal leden van de raad wordt nader bepaald in het huishoudelijk reglement van de orde. […].

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP4644, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 2.5.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2853, r.o. 5.
3.Zie de uitspraak van deze rechtbank 13 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:713.
4.Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6570.
5.Deze beslistermijn volgt uit artikel 4:13, eerste en tweede lid, van de Awb.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2849, r.o. 4.
7.Zie in dit kader de uitspraken van het Hof van Discipline ’s-Hertogenbosch van 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:87, r.o. 4.4, en het Hof van Discipline ’s-Gravenhage van 21 november 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:161.