Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2035

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
C/08/345149 / KG ZA 26-44
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opheffing conservatoir beslag op pand na belangenafweging

Eiseres is eigenaar van een pand waarop Teza conservatoir beslag heeft gelegd. Teza had eerder een kortgedingvordering tot levering van het pand ingesteld, die werd afgewezen. Eiseres vordert nu de opheffing van het beslag.

De voorzieningenrechter overweegt dat voor de vordering tot opheffing geen spoedeisendheid vereist is en dat eiseres moet aantonen dat het ingeroepen recht van Teza ondeugdelijk is. De beoordeling vereist een belangenafweging tussen het belang van Teza bij handhaving van het beslag en het belang van eiseres bij opheffing.

Hoewel eiseres stelt dat het beslag haar rechtsonzekerheid bezorgt en zij het pand niet wil verkopen, weegt het belang van Teza om haar vordering veilig te stellen en bescherming tegen andere beslagen zwaarder. Het eerdere vonnis is niet definitief en Teza is aansprakelijk voor schade als haar vordering wordt afgewezen.

Daarom wordt de vordering van eiseres afgewezen en wordt zij veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen omdat het belang van de beslaglegger zwaarder weegt.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/345149 / KG ZA 26-44
Vonnis in kort geding van 8 april 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende in [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. Th.C. Visser,
tegen
de besloten vennootschap
TEZA INVESTMENTS B.V.,
gevestigd in Zwolle,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Teza,
advocaat: mr. M.J. de Vries.

1.Waar deze zaak over gaat

[eiseres] is eigenaar van een pand. Teza heeft in een eerdere kortgedingprocedure een vordering ingesteld tot levering van dat pand aan haar. De vordering van Teza in die kortgedingprocedure is afgewezen. Teza heeft ook conservatoir beslag gelegd op het pand. In deze kortgedingprocedure vordert [eiseres] opheffing van het conservatoire beslag. De voorzieningenrechter wijst de vordering van [eiseres] af, omdat een belangenafweging in het voordeel van Teza uitvalt.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 17 maart 2026, met producties 1 en 2,
- de aanvullende producties 3 en 4 van [eiseres],
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij namens Teza een pleitnotitie is voorgedragen.

3.De feiten

3.1.
[eiseres] is eigenaar van het pand aan de [adres] (hierna: het pand).
3.2.
Teza heeft op 10 november 2025 conservatoir beslag gelegd op het pand.
3.3.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft bij vonnis op 28 januari 2026 de vordering van Teza om [eiseres] te veroordelen het pand aan haar te leveren afgewezen.
3.4.
Teza heeft hoger beroep ingesteld tegen het op 28 januari 2026 gewezen kortgedingvonnis.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert (samengevat) de opheffing van het op 10 november 2025 gelegde beslag op straffe van een dwangsom.
4.2.
Teza voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
[eiseres] heeft haar vordering ingesteld op grond van artikel 705 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voor het instellen van deze vordering is, ook in een kortgedingprocedure, geen spoedeisendheid aan de zijde van [eiseres] vereist zodat de voorzieningenrechter hier niet op in zal gaan.
5.2.
[eiseres] heeft zich beroepen op de in artikel 705 lid 2 Rv Pro genoemde opheffingsgrond dat summierlijk is gebleken van ondeugdelijkheid van het door Teza ingeroepen recht. Het is aan [eiseres] om aannemelijk te maken dat van deze grond sprake is, ook in een het geval zoals hier aan de orde dat de vordering in eerste aanleg is afgewezen en Teza tegen dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld. [1] Daar komt bij dat de voorzieningenrechter het oordeel in deze kortgedingprocedure niet hoeft af te stemmen met het oordeel van de voorzieningenrechter op 28 januari 2026, omdat dat vonnis nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen. [2]
5.3.
De beoordeling dat sprake is van de door [eiseres] ingeroepen opzeggingsrond kan niet plaatsvinden zonder een afweging van de wederzijdse belangen van partijen. [3] Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, voor het geval de vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. [4] Hoewel de afwijzing van de vordering in eerste aanleg wel een omstandigheid is die de voorzieningenrechter zal moeten meewegen, hoeft de voorzieningenrechter geen voorlopig oordeel te vormen van de kans van slagen van het hoger beroep. [5]
5.4.
Volgens [eiseres] blijkt uit de afwijzing van de vordering van Teza door de voorzieningenrechter op 28 januari 2026 dat sprake is van de door haar ingeroepen opzeggingsgrond. Daarnaast heeft zij aangevoerd belang te hebben bij opheffing van het beslag, omdat dit voor haar een voortdurende rechtsonzekerheid met zich meebrengt en haar geen vrije beschikking geeft over de onroerende zaak. [eiseres] heeft echter ook gesteld dat zij het pand niet wil verkopen. Aan de andere zijde heeft Teza aangevoerd dat het beslag haar garandeert dat zij haar vordering, die ziet op verkrijging van het pand, voldaan krijgt en het haar beschermt tegen latere beslagen die op het pand worden gelegd.
5.5.
De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat de belangen van Teza om het beslag te laten voortduren zwaarder wegen dan de belangen van [eiseres] om het beslag op te heffen, te meer omdat [eiseres] heeft aangegeven het pand niet te willen verkopen en zij verder niet heeft onderbouwd waarom zij belang heeft om de vrije beschikking over het pand te hebben. Dat enkel door het beslag sprake is van een situatie van voortdurende rechtsonzekerheid is de voorzieningenrechter, zonder verdere onderbouwing en in het licht van het door Teza ingestelde hoger beroep, niet duidelijk. Ook de omstandigheid dat de vordering van Teza in de voorgaande kortgedingprocedure is afgewezen, maakt dit niet anders. Hoewel de afwijzing van de vordering een indicatie is dat sprake is van de door [eiseres] ingeroepen opzeggingsgrond, heeft dat vonnis nog geen kracht van gewijsde gekregen en is de vordering dus nog niet definitief afgewezen. Bovendien is Teza aansprakelijk voor de schade die [eiseres] door het beslag heeft geleden indien de vordering van Teza definitief wordt afgewezen. Daar komt bij dat de garantie van [eiseres] dat zij het pand niet zal verkopen niet betekent dat Teza geen enkel belang meer heeft bij het beslag. [eiseres] zou het pand kunnen bezwaren, zich niet kunnen houden aan de afspraak niet tot verkoop over te gaan, of er zouden, zoals door Teza gesteld, andere beslagen op het pand kunnen worden ingeroepen tegen Teza.
5.6.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Teza worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.684,00

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
6.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.684,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. (hg)

Voetnoten

1.HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559 (
2.HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015 (
3.HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105 (
4.HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599 (
5.HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599 (