ECLI:NL:RBOVE:2026:149

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
11784270 \ CV EXPL 25-1187
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis inzake betaling van juridische kosten door consument

In deze zaak heeft eiseres, [eiseres] B.V., een overeenkomst gesloten met gedaagde, een consument, voor het verrichten van juridische werkzaamheden. Gedaagde heeft echter grotendeels nagelaten om de verschuldigde betalingen te doen. Eiseres vordert betaling van de openstaande facturen, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde is niet verschenen, waardoor de kantonrechter verstek heeft verleend. De kantonrechter heeft de vordering van eiseres beoordeeld en geconcludeerd dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan haar informatieplichten. De kantonrechter oordeelt dat het kostenbeding niet transparant is, maar niet oneerlijk. Vanwege de schending van de informatieplicht wordt de hoofdsom met 20% verminderd. De kantonrechter heeft de vordering van eiseres toegewezen, met inachtneming van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11784270 \ CV EXPL 25-1187
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] B.V.,
gemachtigde: S.J.M. Booms,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 1 juli 2025 met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
[eiseres] B.V. heeft met [gedaagde] als consument een overeenkomst gesloten voor het verrichten van juridische werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] . [gedaagde] heeft grotendeels nagelaten om hiervoor te betalen. [eiseres] B.V. vordert dat [gedaagde] de door haar gestuurde facturen betaalt samen met de (verschenen) wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde] is niet verschenen, zodat de kantonrechter tegen hem verstek heeft verleend. In dat geval wijst zij de vordering van [eiseres] B.V. toe, tenzij deze haar onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] B.V. onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende essentiële (pre)contractuele informatieplichten. Zij heeft daarnaast onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij aan [gedaagde] voor het sluiten van de overeenkomst die informatie heeft gegeven zodat [gedaagde] in staat is gesteld om de totale kosten in te schatten die voor hem uit deze overeenkomst voortvloeien.
2.2.
De kantonrechter oordeelt dat het kostenbeding (het beding waarin [eiseres] B.V. de kosten voor haar diensten heeft vermeld) niet transparant is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Maar zij is van oordeel dat dit beding niet oneerlijk is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Wel is sprake van een voldoende ernstige schending van de essentiële informatieplicht vermeld in artikel 6:230m. Het kostenbeding (en daarmee ook de overeenkomst van opdracht) laat zij daarmee in stand, maar zij zal de hoofdsom met 20% verminderen, vanwege de schending van de informatieplicht.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] B.V. vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.807,49, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf 24 juni 2025 tot aan de dag van voldoening.
Verder vordert [eiseres] B.V. dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Tot slot vordert [eiseres] B.V. dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
3.2.
[eiseres] B.V. legt – samengevat – het volgende aan haar vordering ten grondslag.
Zij stelt dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten voor het verlenen van juridische bijstand met betrekking tot de zorg- en contactregeling tussen [gedaagde] en zijn dochter. [eiseres] B.V. heeft hiervoor op 1 mei 2023 aan [gedaagde] een factuur gestuurd van € 2.449,43 (het resterende bedrag na verrekening met het reeds betaalde voorschot van € 2.700,00). [gedaagde] diende dit bedrag binnen veertien dagen te betalen. Dit heeft hij niet gedaan, zodat [eiseres] B.V. de hoofdsom heeft vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van € 367,41 en de verschenen rente tot 24 juni 2025 van € 190,65. [gedaagde] heeft op 12 augustus 2023 een bedrag van € 1.200,00 aan [eiseres] B.V. betaald. Hierdoor resteert er nog een bedrag van € 1.807,49 dat [gedaagde] nog moet betalen.
3.3.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eiseres] B.V.

4.De beoordeling

4.1.
Tegen [gedaagde] is verstek verleend, omdat hij niet is verschenen in de procedure. In dat geval wijst de rechter een tegen de gedaagde ingestelde vordering toe, tenzij de vordering hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). De door [eiseres] B.V. ingestelde vordering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn door [gedaagde] niet weersproken.
Ambtshalve toetsing
4.2.
In deze zaak gaat het over de betaling van een factuur door [gedaagde] als consument.
De kantonrechter stelt vast dat partijen de overeenkomst van opdracht op afstand hebben gesloten, omdat [gedaagde] per e-mail akkoord is gegaan met de door [eiseres] B.V. gestuurde opdrachtbevestiging.
4.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 november 2021 overwogen dat (1) de rechter in zaken met consumenten ambtshalve moet onderzoeken of aan bepaalde essentiële informatieplichten is voldaan en (2) dat de rechter een sanctie moet toepassen als sprake is van een voldoende ernstige schending van deze informatieplichten. [1]
4.4.
[eiseres] B.V. stelt dat zij heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230l BW. De informatieplichten van artikel 6:230l BW zijn in dit geval niet van toepassing, omdat de onderhavige overeenkomst op afstand is gesloten.
4.5.
De kantonrechter moet daarnaast ambtshalve toetsen of de bedingen die in de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden staan en waarover partijen niet afzonderlijk hebben onderhandeld, niet oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen). [2] Een beding is oneerlijk indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 Richtlijn oneerlijke bedingen). De Richtlijn oneerlijke bedingen is geïmplementeerd in artikel 6:233 BW. Artikel 6:233 sub a BW bepaalt dat een beding vernietigbaar is als het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Dit artikel wordt, indien dat nodig is om aan de door het Unierecht gestelde eisen te voldoen, uitgelegd in het licht van de bepalingen van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Indien in een consumentenzaak een beding (in de algemene voorwaarden) onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW, is dat beding tevens oneerlijk in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. [3]
4.6.
De kantonrechter moet allereerst artikel 6 van de Algemene Voorwaarden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen toetsen. In dit artikel is een rentebeding en een (buiten)gerechtelijke kostenbeding opgenomen, waarin het volgende is bepaald:

Artikel 6 Verplichtingen van de opdrachtgevers
[…]
6.7.
Indien opdrachtgever niet binnen de hiervoor genoemde termijn, dan wel binnen de nadere overeengekomen termijn heeft betaald, is hij van rechtswege in verzuim en heeft de opdrachtnemer, zonder nadere sommatie of ingebrekestelling, het recht vanaf de vervaldag de opdrachtgever de wettelijke rente in rekening te brengen tot op de datum van algehele voldoening, een en ander onverminderd de verdere rechten welke opdrachtnemer heeft.
6.8.
Alle (buiten)gerechtelijke kosten die verband houden met de invordering van declaraties – met een minimum van 15% over het te incasseren bedrag – komen voor rekening van de opdrachtgever. De gerechtelijke kosten zijn niet beperkt tot de te liquideren proceskosten doch zullen integraal voor rekening van de opdrachtgever zijn, indien deze (in overwegende mate) in het ongelijk wordt gesteld.
[…]’
4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het (buiten)gerechtelijke kostenbeding een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het beding wijkt namelijk ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling voor de buitengerechtelijke incassokosten die zonder dit beding (dwingend) zou gelden, omdat een het beding (de suggestie wekt dat het) resulteert in een hoger bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dan is toegestaan volgens artikel 6:96 lid 5 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
Daarnaast tast het beding de positie waarin de consument zonder dat beding verkeert aan, doordat het de begrenzing wegneemt die ligt besloten in het wettelijk stelsel van de proceskostenveroordeling. Zonder het proceskostenbeding zou de consument die door de rechter (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, op de voet van artikel 237 Rv worden veroordeeld in de proceskosten van de in het gelijk gestelde partij. De proceskosten worden in de regel aan de hand van het liquidatietarief vastgesteld. Hierdoor is het bedrag van de proceskostenveroordeling vaak lager dan de werkelijke kosten die de in het gelijk gestelde partij aan de procedure heeft besteed. Begrenzing van de omvang van de proceskostenveroordeling draagt bij aan de toegang tot de rechter, omdat daarmee wordt tegengegaan dat een partij afziet van het instellen van een vordering of van het voeren van verweer uit vrees voor het risico van een hoge proceskostenveroordeling. Een in het ongelijk gestelde partij is alleen in buitengewone omstandigheden gehouden tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten van de wederpartij. De rechter is terughoudend in het aannemen hiervan, gelet op het recht op toegang tot de rechter (vgl. artikel 6 EVRM). Gelet op deze omstandigheden kon [eiseres] B.V. er redelijkerwijs niet vanuit gaan dat [gedaagde] een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld. [4] Het beding is daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van Richtlijn oneerlijke bedingen, zodat de kantonrechter dit beding buiten toepassing moet laten.
De kantonrechter heeft het rentebeding ook getoetst. Zij heeft dat niet oneerlijk bevonden, zodat de kantonrechter dit beding om die reden in stand laat.
4.8.
De kantonrechter moet daarnaast het kostenbeding (het beding waarin [eiseres] B.V. de kosten voor haar diensten heeft vermeld) ambtshalve toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen. In dit geval vordert [eiseres] B.V. dat [gedaagde] een bedrag van € 1.807,49 aan haar betaalt op grond van nakoming van de betalingsverplichting die voor hem uit de overeenkomst van opdracht voortvloeit.
4.9.
Het kostenbeding is een kernbeding. [5] Kernbedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen als deze niet transparant zijn. Het transparantievereiste moet ruim worden opgevat: het kostenbeding moet niet alleen formeel en grammaticaal begrijpelijk zijn, maar ook op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria uiteenzetten op welke wijze de kosten voor de te verrichten dienstverlening wordt vastgesteld. Het gaat erom dat de consument vóór het sluiten van de overeenkomst in staat wordt gesteld om de financiële consequenties in te schatten die voor hem uit dat beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor deze diensten zal moeten betalen. [6] Bij die beoordeling neemt de kantonrechter alle relevante feitelijke gegevens in aanmerking rond de sluiting van de overeenkomst. [7]
4.10.
In zijn arrest van 12 januari 2023 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) – onder meer – overwogen dat een kostenbeding op basis van een uurtarief zonder verdere precisering niet transparant is, omdat de consument in dat geval niet in staat wordt gesteld om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien. [8] Het is voor een advocaat moeilijk of zelfs onmogelijk om op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, het aantal uren te voorspellen dat nodig zal zijn om deze diensten te verlenen, en dus ook de totale daadwerkelijke kosten daarvan. Maar dat neemt niet weg dat een advocaat aan de consument vóórdat de overeenkomst wordt gesloten die informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen, met volledige kennis van enerzijds de mogelijkheid dat dergelijke gebeurtenissen zich voordoen en anderzijds de gevolgen die deze kunnen hebben voor de duur van de betreffende juridische diensten. Een advocaat is daartoe immers tuchtrechtelijk ook gehouden. [9] Deze informatie, die kan variëren naargelang zowel het voorwerp en de aard van de juridische diensten waarin de overeenkomst voorziet als de toepasselijke beroeps- en gedragsregels, moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen. Daarbij kan worden gedacht aan een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal reeds gepresteerde werkuren wordt vermeld. [10]
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] B.V. onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij aan [gedaagde] voor het sluiten van de overeenkomst van opdracht die informatie heeft gegeven zodat [gedaagde] in staat is gesteld om de totale kosten in te schatten die voor hem uit deze overeenkomst voortvloeien. Uit de stukken volgt dit niet. In de dagvaarding staat vermeld dat [eiseres] B.V. een uurtarief hanteert van € 326,70 inclusief btw (€ 270,00 exclusief btw). Niet gesteld of gebleken is dat deze kosten concreet waren toegesneden op de te verrichten dienstverlening, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat partijen niet afzonderlijk hebben onderhandeld over het kostenbeding. [11] Verder staat in de dagvaarding dat de kosten voor de dienstverlening in beginsel eens per maand bij [gedaagde] in rekening worden gebracht aan de hand van de bestede tijd/gemaakte kosten. Maar niet wordt gesteld en onderbouwd dat [eiseres] B.V. dit ook heeft gedaan. [eiseres] B.V. heeft enkel een factuur van 1 mei 2023 overgelegd die zij aan [gedaagde] heeft verstuurd, waarbij zij na verrekening van het voorschot van € 2.700,00 een bedrag van € 2.449,43 inclusief btw in rekening heeft gebracht (17,1 uur tegen een uurtarief van € 270,00 exclusief btw). De kantonrechter leidt uit de urenspecificatie af dat de gefactureerde uren zien op de werkzaamheden die [eiseres] B.V. vanaf 6 februari tot en met 26 april 2023 heeft verricht, en leidt daaruit af dat [eiseres] B.V. de kosten van haar dienstverlening kennelijk niet maandelijks heeft gefactureerd (terwijl dit wel in de geaccordeerde opdrachtbevestiging is overeengekomen) en dat zij [gedaagde] voor het sluiten van de overeenkomst ook geen raming heeft gegeven van de totale kosten van de dienstverlening. In de dagvaarding staat dat de opdracht ziet op het verlenen van juridische bijstand inzake de zorg- en contactregeling tussen [gedaagde] en zijn dochter. Maar [eiseres] B.V. heeft in de opdrachtbevestiging geen inschatting gegeven van de op dat moment voorzienbare werkzaamheden die in het kader van die opdracht in ieder geval verricht moeten worden.
4.12.
Gelet op deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] voor het sluiten van de overeenkomst onvoldoende in staat is gesteld om de totale kosten voor de dienstverlening in te schatten. De kantonrechter weegt daarbij mee dat dit gebrek aan transparantie over de totale kosten ook lijkt te volgen uit de e-mail die [gedaagde] op 4 juli 2023 aan [eiseres] B.V. heeft verstuurd, waarin hij onder meer het volgende schrijft:

maandag zal ik de 1e helft overmaken.(…)
Ik ga het nu alleen doen. Ik vind dat het al veel te veel heeft gekost zo… het gaat helemaal nergens meer over…
Ik kan ook niet meer betalen als dat je nu hebt gestuurd.
We moeten hierbij ook maar weer mee stoppen, want ik hou dat zo niet vol.
Ik ga de 10e er dan zelf alleen heen als dat nodig is.(…)’
4.13.
De kantonrechter concludeert dat het kostenbeding onvoldoende transparant is.
De kantonrechter zal het kostenbeding daarom ambtshalve toetsen op (on)eerlijkheid in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. [12]
Het kostenbeding oneerlijk?
4.14.
Een kostenbeding dat onvoldoende transparant is, leidt er niet automatisch toe dat deze als oneerlijk wordt beschouwd. [13] Wel is dit een van de elementen waar de rechter rekening mee houdt bij de beoordeling of het kostenbeding oneerlijk is. Bij die beoordeling gaat de rechter, in het licht van alle omstandigheden van het geval rond het sluiten van de overeenkomst, eerst na of het vereiste van de goede trouw is nageleefd en vervolgens of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument in de zin van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn oneerlijke bedingen. [14] Het kostenbeding moet worden beoordeeld in het licht van eventuele relevante wettelijke bepalingen. Alle andere bedingen van de overeenkomst of een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, moeten in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. [15] Daarbij moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen bij de overeenkomst, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan vordert. [16]
Bij de beoordeling van de goede trouw moet in het bijzonder worden gelet op de verschillende onderhandelingsposities van de partijen en op de vraag of de consument op enigerlei wijze ertoe is aangezet om in te stemmen met het beding. [17] De handelaar kan aan de eisen van de goede trouw voldoen door op een eerlijke en billijke wijze te onderhandelen. Het komt aan op de vraag of de handelaar er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat de consument het beding zou hebben aanvaard, als daarover afzonderlijk op een eerlijke en billijke wijze zou zijn onderhandeld. [18]
Om te bepalen of een beding een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, kan niet alleen een financiële vergelijking worden gemaakt tussen de totale kosten voor de dienstverlening en de kosten die op grond van het kostenbeding voor rekening van de consument komen. [19] Maar de rechter moet ook rekening houden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen geen kostenbeding overeen zouden zijn gekomen. De rechter kan hierdoor bepalen of, en zo ja, in welke mate de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke uit het geldende nationale recht voortvloeit. [20] Een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kan namelijk al sprake zijn als de rechtspositie van de consument in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat de (inhoud van de) rechten die de consument aan de overeenkomst ontleent, worden beperkt of de consument in de uitoefening daarvan wordt belemmerd dan wel doordat de consument een extra verplichting wordt opgelegd waarin het Nederlandse recht niet voorziet. [21]
4.15.
De consument bevindt zich, door zijn kennisachterstand, bij de totstandkoming van een overeenkomst als de onderhavige in beginsel in een zwakkere positie dan de advocaat. Doorgaans wordt echter niet onderhandeld over een uurtarief van een advocaat. In dit geval heeft [eiseres] B.V. een uurtarief gerekend van € 326,70 inclusief btw voor de advocaat. Niet gesteld of gebleken is dat partijen over het uurtarief hebben onderhandeld en/of dat dit tarief onredelijk of ongebruikelijk is. Het is eveneens niet ongebruikelijk om de werkzaamheden van een advocaat op uurbasis in rekening te brengen.
4.16.
Het Nederlandse recht kent geen bijzondere wettelijke regeling voor de kosten die een advocaat voor zijn dienstverlening aan een consument in rekening kan brengen. Wel geldt in het algemeen voor een overeenkomst van opdracht dat de opdrachtgever een redelijk loon verschuldigd is als geen loon overeen is gekomen (artikel 7:405 lid 2 BW). Een advocaat kan dus zonder een kostenbeding een redelijk loon vorderen voor de door hem verleende diensten. Wat redelijk loon is, hangt onder meer af van de aard en omvang van de te verrichten werkzaamheden en het gebruik in de betreffende branche. [22]
4.17.
In dit geval heeft [eiseres] B.V. een uurtarief gerekend van € 326,70 inclusief btw. In deze procedure is niet gesteld of gebleken dat dit tarief onredelijk of ongebruikelijk zijn, terwijl ook naar algemene ervaringsregels geen aanleiding bestaat om dat aan te nemen. Evenmin is ongebruikelijk om de werkzaamheden van een advocaat op uur basis in rekening te brengen. De afspraak over de gehanteerde uurtarieven tast dus in dit opzicht de rechtspositie van de consument niet aan.
De informatieverplichting
4.18.
Naar Nederlands recht geldt verder op grond van artikel 7:401 BW voor de opdrachtnemer een verplichting om ten opzichte van de opdrachtgever de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Daarnaast geldt op grond van artikel 7:403 BW een verplichting om de opdrachtgever gedurende de overeenkomst tussentijds redelijkerwijs voldoende op de hoogte te houden van de werkzaamheden. Op grond van deze verplichtingen mag naar het oordeel van de kantonrechter van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat worden verwacht dat hij zijn cliënt tussentijds op de hoogte stelt van de ontwikkeling van de kosten voor de werkzaamheden (zoals ook uit de Gedragsregels advocatuur kan worden afgeleid).
4.19.
In het arrest van 12 januari 2023 heeft het Hof van Justitie erop gewezen dat de consument meer zicht houdt op de ontwikkeling van de kosten voor de door de advocaat verleende diensten als bij het aangaan van de overeenkomst wordt afgesproken dat tussentijds wordt gefactureerd of de cliënt in ieder geval van de kosten periodiek op de hoogte wordt gehouden. [23] Omdat een vergelijkbare verplichting naar Nederlands recht al voortvloeit uit de hiervoor aangehaalde wettelijke bepalingen, behoeft een dergelijke afspraak hier niet afzonderlijk, naast een kostenbeding, te worden gemaakt. Ook zonder afspraak over tussentijdse informatievoorziening of facturering moet de advocaat zijn cliënt dat inzicht bieden. De positie van de consument wordt door een kostenbeding ook in dit opzicht dus niet beperkt.
De tussenconclusie
4.20.
De kantonrechter oordeelt dat het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een kostenbeding dat onredelijk bezwarend is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. De kantonrechter laat het kostenbeding om die reden in stand.
De essentiële (pre)contractuele informatieplichten
4.21.
Het verzuim van [eiseres] B.V. om [gedaagde] voldoende over de kosten van de werkzaamheden te informeren (zie 4.11.) moet niet alleen als een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht worden gekwalificeerd, maar houdt ook een schending in van de informatieplichten als bedoeld in artikel 6:230m BW. [24] De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een voldoende ernstige schending van de deze informatieplicht.
4.22.
De kantonrechter zal aan de hand van de landelijke Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten de betalingsverplichting van [gedaagde] vanwege voornoemde schending verminderen met 20%. Dit betekent dat de oorspronkelijke hoofdsom van € 5.586,57, wordt verminderd met genoemd percentage, zodat een bedrag van € 4.469,26 aan hoofdsom resteert. Hierop is in mindering voldaan € 2.700,00 (verrekening voorschot) en € 1.200,00, zodat een vordering resteert van € 569,26, die voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.23.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] B.V. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
135,00
(1 punt × € 135,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
577,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 569,26 aan [eiseres] B.V., te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op
13 januari 2026.

Voetnoten

1.HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
3.HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, rov. 3.8.3.
4.Zie HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1081, rov. 3.1.2. – 3.1.6.
5.HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punt 32.
6.Zie ook HvJ EU 9 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:536, punt 49.
7.HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punten 36 – 38, 43 en 44.
8.HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punt 40.
9.Vgl. Regel 17, lid 2, Gedragsregels advocatuur.
10.HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punten 41 – 44.
11.Vgl. HvJ EU 15 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:14, punt 31; HvJ EU 9 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:536, punten 35 – 38; HvJ EU 30 mei 2024, ECLI:EU:C:2024:443, punt 45; HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1725, rov. 3.4.2.
12.Artikel 4 lid 2 Richtlijn oneerlijke bedingen.
13.Artikel 8 Richtlijn oneerlijke bedingen biedt lidstaten daartoe wel de mogelijkheid.
14.HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punten 47, 48 en 51.
15.Artikel 4 lid 1 Richtlijn oneerlijke bedingen.
16.HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830; HvJ EU 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:283.
17.Overweging 16 van de considerans van de Richtlijn oneerlijke bedingen.
18.HvJ EU 20 april 2023, ECLI:EU:C:2023:311, punt 45; HvJ 14 maart 2013, ECLI:EU:C:2013:164, punt 69.
19.HvJ EU 16 januari 2014, ECLI:EU:C:2014:10, punt 22.
20.HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800, rov. 3.8.2.
21.HvJ EU 3 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:820, punt 51; HvJ EU 16 januari 2014, ECLI:EU:C:2014:10, punt 23.
22.HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1680, rov. 3.6.1.
23.HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punt 44.
24.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4995.