ECLI:NL:RBOVE:2026:1331

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11884582 \ CV EXPL 25-2754
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 195 RvArt. 194 RvArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dexia onrechtmatig voor schade effectenleaseovereenkomsten, volledige schadevergoeding aan afnemer

De afnemer heeft via tussenpersonen drie effectenleaseovereenkomsten gesloten met Dexia, waarbij hij geld leende om aandelen te kopen. Door waardedaling van de aandelen leed de afnemer verlies. De rechtbank sluit aan bij eerdere jurisprudentie en oordeelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomsten te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersonen niet beschikten over de vereiste vergunningen voor beleggingsadvies.

De afnemer vordert volledige schadevergoeding van Dexia, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld. Dexia betwist dit en voert onder meer verjaring en gebrek aan advisering aan. De rechtbank verwerpt deze verweren, stelt dat Dexia voldoende wetenschap had van de vergunningplichtige advisering en dat de schade volledig voor rekening van Dexia komt.

De rechtbank wijst de vorderingen van de afnemer toe, veroordeelt Dexia tot betaling van de schade vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, en wijst de incidentele vordering van Dexia tot inzage van documenten af. De uitspraak bevestigt de lijn van eerdere jurisprudentie en benadrukt het belang van zorgplicht en vergunningplicht bij effectenleaseproducten.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens de afnemer en moet volledige schadevergoeding betalen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11884582 \ CV EXPL 25-2754
Vonnis van 10 maart 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.Kern van de zaak

1.1.
[partij A] heeft via De Spaarconsulent en [bedrijf] B.V. drie effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van de overeenkomsten, leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [partij A] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag aan Dexia terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 10 september 2025;
  • conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie;
  • conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;
  • conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;
  • conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlaten producties in conventie.
2.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vandaag vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomsten gesloten, met als wederpartij (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[contractnummer 1]
16-11-2000
AEX Plus Effect
2
[contractnummer 2]
12-12-2001
AEX Plus Effect
3
[contractnummer 3]
12-12-2001
AEX Plus Effect
3.2.
Nadat Dexia deze overeenkomsten tussentijds heeft beëindigd, heeft zij eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
03-10-2006
- € 3.823,47
Ja
2
24-07-2007
€ 1.794,86
n.v.t.
3
24-07-2007
€ 1.794,86
n.v.t.
3.3.
Volgens het financieel overzicht van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomsten in totaal een bedrag van € 27.952,32 aan termijnen aan Dexia voldaan. De overeenkomsten zijn geëindigd met een restschuld van € 3.589,72 welk bedrag [partij A] aan Dexia heeft betaald.
3.4.
Volgens hetzelfde overzicht heeft Dexia op 18 januari 2012 met betrekking tot overeenkomst [contractnummer 1] een bedrag van € 2.940,74 aan [partij A] uitgekeerd, volgens Dexia twee derde van de restschuld inclusief verschenen rente.
3.5.
Het financieel overzicht vermeldt ook dat Dexia op 24 februari 2025 ten aanzien van alle drie overeenkomsten een ‘onverplichte uitbetaling’ aan [partij A] heeft verricht van in totaal € 24.887,21.
3.6.
De gemachtigde van [partij A] heeft bij brief van 9 maart 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en dwaling. In de brief wordt ook het recht voorbehouden daartoe nog andere gronden aan te voeren.

4.Het geschil

4.1.
[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij vooraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [partij A] ;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
  • Dexia zal veroordelen om de schade die [partij A] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden, te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Dexia te voldoen al hetgeen [partij A] heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van Dexia, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen van [partij A] en concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering waarbij Dexia (samengevat) vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [contractnummer 1] , [contractnummer 2] en [contractnummer 3] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces, namens [partij A] , in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend;
  • [partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing van de kantonrechter, nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in het incident
Algemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A]
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
  • er is sprake van huurkoop;
  • er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden, evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
  • Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
  • [partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
  • er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [partij A] en de onrechtmatige daad van Dexia.
Verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
Tussenpersoon
5.5.
[partij A] heeft de overeenkomsten met Dexia gesloten via de tussenpersoon
De Spaarconsulent en [bedrijf] B.V. (hierna: ‘ [bedrijf] ’). Tussen partijen is niet in geschil dat deze tussenpersonen niet beschikten over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.6.
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen.
5.7.
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8.
De stelplicht en bewijslast dat De Spaarconsulent en [bedrijf] [partij A] hebben geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat deze tussenpersonen [partij A] anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies hebben verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.9.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.10.
[partij A] stelt over de feitelijke gang met betrekking tot overeenkomst [contractnummer 1] dat een medewerker van De Spaarconsulent ongevraagd voor de deur stond. De medewerker wilde volgens [partij A] de financiële situatie van [partij A] doornemen omdat hij daarvan rijk zou worden. Daarmee heeft [partij A] ingestemd.
[partij A] voert aan dat de medewerker tijdens het gesprek naar de wensen en de financiële situatie van [partij A] heeft geïnformeerd en dat met de medewerker zou zijn gesproken over zijn werk, inkomen, gezinssituatie en erfenis, die hij had ontvangen in verband met het recente overlijden van zijn echtgenote. Met de medewerker zou ook zijn gesproken over zijn wens om iets te regelen voor zijn pensioen zodat hij eerder zou kunnen stoppen met werken. Volgens [partij A] gaf de medewerker aan dat dit mogelijk was en dat zij daarvoor een geschikt product wist.
[partij A] stelt dat de medewerker hem adviseerde om een AEX Plus Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 48.000,00 waarvoor [partij A] de erfenis moest aanwenden. Verder heeft de medewerker volgens [partij A] het advies gegeven om het overige deel van de erfenis te gebruiken voor een [overeenkomst] overeenkomst van Aegon met een vooruitbetaling van ongeveer
NLG 21.200,00. De medewerker gaf aan dat [partij A] op deze manier aanzienlijk vermogen zou opbouwen waardoor hij een voorziening kon regelen voor zijn pensioen en eerder zou kunnen stoppen met werken, aldus [partij A]
Met betrekking tot de overeenkomsten [contractnummer 2] en [contractnummer 3] stelt [partij A] dat hij voor het eerst in contact kwam met een medewerker van [bedrijf] omdat deze medewerker ook zijn belastingadviseur was. De medewerker was dus al op de hoogte van de financiële situatie van [partij A] Bij een contactmoment zei de medewerker dat [partij A] te veel geld op zijn (spaar)rekening had staan en dat hij beter iets met het geld kon doen, aldus [partij A] De medewerker gaf volgens [partij A] het advies om twee AEX Plus Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ieder
NLG 4.799,68.
Ten aanzien van alle drie overeenkomsten stelt [partij A] dat hij niet werd geïnformeerd over de specifieke risico’s. Hij zou er niet op zijn gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en een schuld kon ontstaan uit hoofde van de overeenkomsten. [partij A] voert aan dat hij, als hij op deze risico’s was gewezen, de overeenkomsten nooit had afgesloten. Hij voert verder aan dat hij geen ervaring had met beleggen of kennis had van complexe financiële producten. Daarom vertrouwde hij op de deskundigheid van de medewerkers als ook het advies dat zij hem gaven en heeft hij de adviezen ook opgevolgd door eerst een AEX Plus Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 47.999,45 en een Aegon [overeenkomst] overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 21.247,51 (overgelegd als Productie C) af te sluiten, aldus [partij A] Hij wijst er verder op dat de [overeenkomst] overeenkomst vermeld dat De Spaarconsulent ook bij het afsluiten daarvan de adviseur was.
Vervolgens heeft [partij A] aangevoerd dat het opvolgen van de adviezen desastreus voor hem heeft uitgepakt, want in plaats van het vermogen dat zou worden opgebouwd, is hij de betaalde inleg kwijtgeraakt en heeft hij een restschuld overgehouden, die hij heeft betaald.
5.11.
[partij A] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de AEX Plus Effect Vooruitbetaling overeenkomst met nummer [contractnummer 1] van 16 november 2000, op naam van [partij A] met vermelding van een de lease-som van NLG 47.999,45, voorzien van het adviseursnummer [ATP-nummer] -De Spaarconsulent en ondertekend door (de rechtsvoorganger van Dexia) Bank Labouchere;
  • kopieën van de AEX Plus Effect Vooruitbetaling overeenkomst met nummer [contractnummer 2] en nummer [contractnummer 3] beiden van 12 december 2001, op naam van [partij A] met vermelding van een de lease-som van NLG 4.799,68, voorzien van het adviseursnummer [ATP-nummer] - [bedrijf] B.V. en ondertekend door (de rechtsvoorganger van Dexia) Bank Labouchere;
  • een kopie van de Aegon [overeenkomst] overeenkomst op naam van [partij A] ondertekend door [partij A] en Aegon, met vermelding van De Spaarconsulent onder ‘adviseur’ en een kopie van de bijbehorende factuur voor het vooruit te betalen bedrag van NLG 21.247,51;
  • een kopie van een uittreksel van de Kamer van Koophandel van De Spaarconsulent met als laatste bedrijfsomschrijving: ‘
  • een kopie van een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf] met als laatste bedrijfsomschrijving: ‘
Aanhoudingsverzoek
5.12.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.13.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(Nieuwe) argumenten Dexia
5.14.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat (de gemachtigde van [partij A] ) Leaseproces ten onrechte op haar woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de betreffende tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust; en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.15.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij A] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de medewerker van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [partij A] tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij A] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [partij A] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en de medewerkers vanDe Spaarconsulent en [bedrijf] , komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [partij A] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
5.16.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van De Spaarconsulent en [bedrijf] aan [partij A] Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomsten kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [partij A] voor rekening van Dexia.
Aansprakelijkheid Dexia
5.17.
Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Vorderingen van [partij A]
5.18.
De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat De Spaarconsulent en [bedrijf] [partij A] niet alleen als klant aanbrachten maar [partij A] tevens persoonlijk hadden geadviseerd en zij geen vergunning daarvoor bezaten. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.
Schade
5.19.
De door [partij A] geleden schade is door partijen in de processtukken besproken. Zoals hiervoor is geoordeeld, komt alle schade voor rekening van Dexia. [partij A] heeft zijn schade berekend op € 25.559,17, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dexia heeft de schade van [partij A] betwist en gewezen op het bedrag van € 24.887,21 dat zij op 24 februari 2025 aan [partij A] als ‘onverplichte uitbetaling’ heeft uitgekeerd. Dexia stelt zich op het standpunt dat dit bedrag voor € 14.632,37 uit rente bestaat zodat € 10.254,84 in mindering strekt op de schade van [partij A] Volgens Dexia bedraagt de daadwerkelijke schade van [partij A] daardoor € 15.304,33. [partij A] betwist niet dat zij de uitbetaling heeft ontvangen, maar spreekt wel tegen dat daarvan € 14.632,37 rente is.
5.20.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Zoals [partij A] heeft aangevoerd, heeft Dexia de opbouw van het door haar uitgekeerde bedrag niet toegelicht en ook niet onderbouwd. Weliswaar staat in het door Dexia overgelegde financiële overzicht (productie 1 bij conclusie van antwoord) in de kolom ‘onverplichte uitbetaling’ een bedrag van € 14.632,37 aan wettelijke rente, maar dat is gelet op de betwisting van [partij A] onvoldoende. Het had op de weg van Dexia gelegen om haar renteberekening inzichtelijk te maken. Dat betekent dat de kantonrechter ervan moet uitgaan dat de schadeberekening van [partij A] juist is.
5.21.
In de door [partij A] overgelegde brief (als productie J bij conclusie van repliek) waarin Dexia de uitbetaling aankondigt, staat:
“[…]
Belangrijk: deze betaling is onverplicht en wordt gedaan zonder erkenning van schuld. Het betreft een vooruitbetaling op een mogelijke vergoeding die u wellicht in rechte kunt krijgen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Mocht achteraf in rechte blijken dat de vooruitbetaling te laag is, dan zal Dexia de betaling aanvullen met hetgeen waartoe zij dan door een rechter veroordeeld wordt. Mocht achteraf blijken dat de vooruitbetaling te hoog en ten onrechte is gedaan, dan behoudt Dexia zich het recht voor de betaling geheel of gedeeltelijk van u terug te vorderen.
[…]”
5.22.
Daaruit leidt de kantonrechter af dat het bedrag van € 24.887,21 in het algemeen als een voorschot is betaald. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [partij A] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient indien van toepassing, rekening te worden gehouden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht, waarvan de juistheid door [partij A] behoudens het bedrag van de ‘onverplichte uitbetaling’, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia aan [partij A] is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021. [6] De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. [7] Op deze uitkomst strekt vervolgens in mindering het door Dexia betaalde bedrag van € 24.887,21.
5.23.
[partij A] heeft een vordering ingesteld tot vergoeding van zijn buitengerechtelijke incassokosten. Dit zal worden afgewezen aangezien niet gebleken is dat er in dit geval meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan de werkzaamheden genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [8]
5.24.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Incidentele vordering van Dexia
5.25.
Dexia vordert veroordeling van [partij A] om ex artikel 195 Rv Pro een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces, namens [partij A] , in deze procedure ingenomen feitelijke stelling zijn ontleend.
5.26.
Een zogenoemde ‘exhibitievordering’ komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 195 Rv Pro voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
  • degene die de vordering instelt, dient een voldoende belang te hebben;
  • het moet gaan om bepaalde gegevens;
  • aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
5.27.
Los van de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter
dat op grond van lid 3 en lid 4 van artikel lid 2 van artikel 194 Rv Pro geen inzage van het intakeformulier dan wel van andere schriftelijke documenten verlangd kan worden.
5.28.
In lid 2 van artikel 194 Rv Pro is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan de exhibitievordering te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ervan uitgaande dat [partij A] , althans Leaseproces, in het bezit is van het intakeformulier of een vergelijkbaar document, kan ook van haar als cliënt van de beroepsbeoefenaar geen inzage worden verlangd, omdat gewichtige redenen als bedoeld in lid 2 van artikel 194 Rv Pro, zich daartegen verzetten. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces zijn terechtgekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek-, intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. De kantonrechter oordeelt dan ook dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen.
5.29.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82,00.
Vorderingen van Dexia
5.30.
Gelet op de beoordeling in conventie, zullen de vorderingen van Dexia worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.31.
Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij A] . Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
100,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.552,47
5.32.
De door [partij A] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op € 82,00;
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat De Spaarconsulent en [bedrijf] [partij A] niet alleen als klant aanbrachten, maar [partij A] ook persoonlijk hadden geadviseerd en zij geen vergunning daarvoor bezaten;
6.4.
verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
6.5.
veroordeelt Dexia om aan [partij A] de schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.22.;
6.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.552,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.10.
wijst de vordering af;
6.11.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:845 en gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
7.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.